Mateus 21

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfagé kwamen, bij de Olijfberg, stuurde Jezus twee van zijn leerlingen vooruit.
1 Quando se aproximaram de Jerusalém e chegaram a Betfagé, ao monte das Oliveiras, enviou Jesus dois discípulos, dizendo-lhes:
2 Hij zei tegen hen: “Ga het dorp in dat voor jullie ligt. Dan zullen jullie meteen een vastgebonden ezelin zien, met een veulen. Maak ze los en breng ze hier.
2 Ide à aldeia que aí está diante de vós e logo achareis presa uma jumenta e, com ela, um jumentinho. Desprendei-a e trazei-mos.
3 Als iemand bezwaar maakt, zeg dan: ‘De Heer heeft ze nodig; Hij zal ze meteen terugsturen.’”
3 E, se alguém vos disser alguma coisa, respondei-lhe que o Senhor precisa deles. E logo os enviará.
4 Zo gebeurde wat de profeet had voorspeld:
4 Ora, isto aconteceu para se cumprir o que foi dito por intermédio do profeta:
5 — ausente —
5 Dizei à filha de Sião: Eis aí te vem o teu Rei, humilde, montado em jumento, num jumentinho, cria de animal de carga.
6 De leerlingen vertrokken en deden wat Jezus hun had opgedragen.
6 Indo os discípulos e tendo feito como Jesus lhes ordenara,
7 Toen ze de ezelin met het veulen hadden gebracht en hun mantels erop hadden gelegd, ging Jezus daarop zitten.
7 trouxeram a jumenta e o jumentinho. Então, puseram em cima deles as suas vestes, e sobre elas Jesus montou.
8 Een groot aantal mensen legden hun mantels op de weg, anderen sneden takken van de bomen en spreidden die uit op de weg.
8 E a maior parte da multidão estendeu as suas vestes pelo caminho, e outros cortavam ramos de árvores, espalhando-os pela estrada.
9 De vele mensen die voor en achter Jezus wandelden, riepen:
9 E as multidões, tanto as que o precediam como as que o seguiam, clamavam: Hosana ao Filho de Davi! Bendito o que vem em nome do Senhor! Hosana nas maiores alturas!
10 Toen Jezus Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in opschudding over de vraag: “Wie is dit?”
10 E, entrando ele em Jerusalém, toda a cidade se alvoroçou, e perguntavam: Quem é este?
11 De mensen bij Jezus zeiden: “Dit is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.”
11 E as multidões clamavam: Este é o profeta Jesus, de Nazaré da Galileia!
12 Jezus ging het tempelterrein op, joeg iedereen weg die daar aan het kopen of verkopen was, gooide de tafels van de geldwisselaars en de zitbanken van de duivenverkopers omver
12 Tendo Jesus entrado no templo, expulsou todos os que ali vendiam e compravam; também derribou as mesas dos cambistas e as cadeiras dos que vendiam pombas.
13 en zei tegen hen: “In de Schriften staat: ‘Mijn huis zal een gebedshuis worden genoemd’, maar jullie maken er een rovershol van.”
13 E disse-lhes: Está escrito:
14 Op het tempelterrein kwamen er mensen naar Hem toe die blind of verlamd waren en Hij genas hen.
14 Vieram a ele, no templo, cegos e coxos, e ele os curou.
15 Maar toen de hoofdpriesters en de Schriftgeleerden de verbazingwekkende dingen zagen die Hij deed en toen ze hoorden dat de kinderen op het tempelterrein uitriepen: “Hosanna voor de zoon van David!”, waren ze verontwaardigd.
15 Mas, vendo os principais sacerdotes e os escribas as maravilhas que Jesus fazia e os meninos clamando: Hosana ao Filho de Davi!, indignaram-se e perguntaram-lhe:
16 Ze vroegen Jezus: “Hoort U wat ze roepen?” Jezus zei tegen hen: “Jazeker. Hebben jullie nooit gelezen: ‘U heeft zich laten bejubelen door kleine kinderen en zuigelingen’?”
16 Ouves o que estes estão dizendo? Respondeu-lhes Jesus: Sim; nunca lestes:
17 Hij liet hen achter en ging de stad uit, naar Betanië. Daar overnachtte Hij.
17 E, deixando-os, saiu da cidade para Betânia, onde pernoitou.
18 's Morgens vroeg, toen ze naar Jeruzalem teruggingen, kreeg Jezus honger.
18 Cedo de manhã, ao voltar para a cidade, teve fome;
19 Hij zag naast de weg een vijgenboom, ging ernaartoe en stelde vast dat er niets anders aan zat dan bladeren. Hij zei tegen de boom: “Van jou mogen nooit meer vruchten worden geplukt!” Onmiddellijk verdorde de boom.
19 e, vendo uma figueira à beira do caminho, aproximou-se dela; e, não tendo achado senão folhas, disse-lhe: Nunca mais nasça fruto de ti! E a figueira secou imediatamente.
20 Zijn leerlingen zagen het en vroegen verwonderd: “Hoe kan het dat die vijgenboom onmiddellijk is verdord?”
20 Vendo isto os discípulos, admiraram-se e exclamaram: Como secou depressa a figueira!
21 Jezus zei tegen hen: “Ik verzeker jullie, als jullie geloof hebben en niet twijfelen, zullen jullie niet alleen doen wat Ik met de vijgenboom heb gedaan, maar zelfs als jullie dan tegen deze berg zeggen: kom van je plaats en stort jezelf in zee, zal het gebeuren.
21 Jesus, porém, lhes respondeu: Em verdade vos digo que, se tiverdes fé e não duvidardes, não somente fareis o que foi feito à figueira, mas até mesmo, se a este monte disserdes: Ergue-te e lança-te no mar, tal sucederá;
22 En alles wat jullie vol vertrouwen vragen in het gebed, zullen jullie ontvangen.”
22 e tudo quanto pedirdes em oração, crendo, recebereis.
23 Jezus ging het tempelterrein op. Terwijl Hij aan het onderwijzen was, kwamen de hoofdpriesters en de volksoudsten naar Hem toe. Ze vroegen: “Op grond van welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U die bevoegdheid gegeven?”
23 Tendo Jesus chegado ao templo, estando já ensinando, acercaram-se dele os principais sacerdotes e os anciãos do povo, perguntando: Com que autoridade fazes estas coisas? E quem te deu essa autoridade?
24 Jezus antwoordde: “Ik zal jullie ook één vraag stellen, en als jullie Mij antwoord geven, zal Ik jullie vertellen op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
24 E Jesus lhes respondeu: Eu também vos farei uma pergunta; se me responderdes, também eu vos direi com que autoridade faço estas coisas.
25 De doop van Johannes, vanwaar kwam die? Van God of van de mensen?” Ze overlegden met elkaar: “Als we zeggen: van God, zal Hij zeggen: Waarom geloven jullie hem dan niet?
25 Donde era o batismo de João, do céu ou dos homens? E discorriam entre si: Se dissermos: do céu, ele nos dirá: Então, por que não acreditastes nele?
26 Maar als we zeggen: van de mensen ... We zijn bang voor de menigte, want iedereen beschouwt Johannes als een profeet.”
26 E, se dissermos: dos homens, é para temer o povo, porque todos consideram João como profeta.
27 Daarom antwoordden ze: “Wij weten het niet.” Toen zei Hij tegen hen: “Dan vertel Ik jullie ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
27 Então, responderam a Jesus: Não sabemos. E ele, por sua vez: Nem eu vos digo com que autoridade faço estas coisas.
28 Wat denken jullie? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: ‘Mijn zoon, ga vandaag in de wijngaard werken.’
28 E que vos parece? Um homem tinha dois filhos. Chegando-se ao primeiro, disse: Filho, vai hoje trabalhar na vinha.
29 Hij antwoordde: ‘Ik wil niet.’ Maar later kreeg hij wroeging en ging hij toch.
29 Ele respondeu: Sim, senhor; porém não foi.
30 Toen ging de vader naar de andere zoon en zei hetzelfde. Die zoon antwoordde: ‘Ja, vader’, maar hij ging niet.
30 Dirigindo-se ao segundo, disse-lhe a mesma coisa. Mas este respondeu: Não quero; depois, arrependido, foi.
31 Wie van de twee deed wat de vader wilde?” Ze zeiden: “De eerste.” Jezus zei tegen hen: “Ik verzeker jullie dat de belastinginners en de prostituees eerder dan jullie Gods koninkrijk zullen binnengaan.
31 Qual dos dois fez a vontade do pai? Disseram: O segundo. Declarou-lhes Jesus: Em verdade vos digo que publicanos e meretrizes vos precedem no reino de Deus.
32 Want Johannes kwam naar jullie toe en toonde jullie de juiste weg, maar jullie geloofden hem niet, terwijl de belastinginners en prostituees hem wel geloofden. En zelfs toen jullie dat zagen, kwamen jullie niet tot inkeer en geloofden jullie hem niet.
32 Porque João veio a vós outros no caminho da justiça, e não acreditastes nele; ao passo que publicanos e meretrizes creram. Vós, porém, mesmo vendo isto, não vos arrependestes, afinal, para acreditardes nele.
33 Luister ook naar deze parabel: Er was iemand, een landeigenaar, die een wijngaard aanplantte, een omheining plaatste, een perskuil groef, een wachttoren bouwde, de wijngaard aan wijnbouwers verhuurde en op reis ging.
33 Atentai noutra parábola. Havia um homem, dono de casa, que plantou uma vinha. Cercou-a de uma sebe, construiu nela um lagar, edificou-lhe uma torre e arrendou-a a uns lavradores. Depois, se ausentou do país.
34 Toen de oogsttijd was aangebroken, stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn opbrengst op te halen.
34 Ao tempo da colheita, enviou os seus servos aos lavradores, para receber os frutos que lhe tocavam.
35 Maar de wijnbouwers grepen zijn knechten; ze sloegen de ene in elkaar, doodden een andere en stenigden nog een andere.
35 E os lavradores, agarrando os servos, espancaram a um, mataram a outro e a outro apedrejaram.
36 Vervolgens stuurde hij andere knechten, meer dan de eerste keer, en die behandelden ze op dezelfde wijze.
36 Enviou ainda outros servos em maior número; e trataram-nos da mesma sorte.
37 Uiteindelijk stuurde hij zijn zoon naar hen toe. Hij zei: ‘Mijn zoon zullen ze wel respecteren.’
37 E, por último, enviou-lhes o seu próprio filho, dizendo: A meu filho respeitarão.
38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en beslag leggen op zijn erfenis.’
38 Mas os lavradores, vendo o filho, disseram entre si: Este é o herdeiro; ora, vamos, matemo-lo e apoderemo-nos da sua herança.
39 Ze grepen hem, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem.
39 E, agarrando-o, lançaram-no fora da vinha e o mataram.
40 Wat zou de eigenaar van de wijngaard dus met die wijnbouwers doen, wanneer hij komt?”
40 Quando, pois, vier o senhor da vinha, que fará àqueles lavradores?
41 Ze zeiden tegen Hem: “Hij zal die slechte mensen ombrengen en de wijngaard aan andere wijnbouwers verhuren. En die zullen hem steeds op tijd de opbrengst uitbetalen.”
41 Responderam-lhe: Fará perecer horrivelmente a estes malvados e arrendará a vinha a outros lavradores que lhe remetam os frutos nos seus devidos tempos.
42 Jezus zei tegen hen: “Hebben jullie nooit het volgende in de Schriften gelezen:
42 Perguntou-lhes Jesus: Nunca lestes nas Escrituras:
43 Daarom vertel Ik jullie: Gods koninkrijk zal van jullie worden afgenomen en aan een volk worden gegeven dat de vruchten ervan oplevert.
43 Portanto, vos digo que o reino de Deus vos será tirado e será entregue a um povo que lhe produza os respectivos frutos.
44 Wie over deze steen valt, raakt verbrijzeld, en degene op wie hij valt, wordt verpletterd.”
44 Todo o que cair sobre esta pedra ficará em pedaços; e aquele sobre quem ela cair ficará reduzido a pó.
45 Toen de hoofdpriesters en farizeeën Jezus' parabels hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak.
45 Os principais sacerdotes e os fariseus, ouvindo estas parábolas, entenderam que era a respeito deles que Jesus falava;
46 Ze wilden Jezus oppakken, maar waren bang van het volk, want dat beschouwde Hem als een profeet.
46 e, conquanto buscassem prendê-lo, temeram as multidões, porque estas o consideravam como profeta.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.