Marcos 9

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Jezus zei tegen hen: “Ik verzeker jullie, sommigen die hier staan zullen niet sterven voordat ze Gods koninkrijk op krachtige wijze hebben zien komen.”
1 Dizia-lhes ainda: Em verdade vos afirmo que, dos que aqui se encontram, alguns há que, de maneira nenhuma, passarão pela morte até que vejam ter chegado com poder o reino de Deus.
2 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Daar veranderde Hij voor hun ogen.
2 Seis dias depois, tomou Jesus consigo a Pedro, Tiago e João e levou-os sós, à parte, a um alto monte. Foi transfigurado diante deles;
3 Zijn kleren werden stralend wit, zo wit als niemand op aarde ze kan maken.
3 as suas vestes tornaram-se resplandecentes e sobremodo brancas, como nenhum lavandeiro na terra as poderia alvejar.
4 Toen verschenen Elia en Mozes aan hen; ze waren met Jezus in gesprek.
4 Apareceu-lhes Elias com Moisés, e estavam falando com Jesus.
5 Petrus onderbrak hen en zei tegen Jezus: “Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie hutten bouwen: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
5 Então, Pedro, tomando a palavra, disse: Mestre, bom é estarmos aqui e que façamos três tendas: uma será tua, outra, para Moisés, e outra, para Elias.
6 Hij wist niet hoe te reageren, want ze waren hevig geschrokken.
6 Pois não sabia o que dizer, por estarem eles aterrados.
7 Toen kwam er een wolk die een schaduw over hen wierp. Vanuit de wolk klonk een stem: “Dit is mijn dierbare Zoon. Luister naar Hem!”
7 A seguir, veio uma nuvem que os envolveu; e dela uma voz dizia: Este é o meu Filho amado; a ele ouvi.
8 Plots, toen ze om zich heen keken, zagen ze niemand meer en was enkel Jezus nog bij hen.
8 E, de relance, olhando ao redor, a ninguém mais viram com eles, senão Jesus.
9 Tijdens hun afdaling van de berg droeg Jezus hun op, aan niemand te vertellen wat ze hadden gezien zolang de Mensenzoon nog niet uit de dood was verrezen.
9 Ao descerem do monte, ordenou-lhes Jesus que não divulgassem as coisas que tinham visto, até o dia em que o Filho do Homem ressuscitasse dentre os mortos.
10 Ze hielden het gebeurde voor zich, maar onderling bespraken ze wel wat Hij bedoelde met “uit de dood verrijzen”.
10 Eles guardaram a recomendação, perguntando uns aos outros que seria o ressuscitar dentre os mortos.
11 Ook vroegen ze Hem: “Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?”
11 E interrogaram-no, dizendo: Por que dizem os escribas ser necessário que Elias venha primeiro?
12 Hij antwoordde: “Elia komt inderdaad eerst alles in orde maken. Waarom zou er dan over de Mensenzoon in de Schriften staan dat Hij veel moet lijden en slecht behandeld gaat worden?
12 Então, ele lhes disse: Elias, vindo primeiro, restaurará todas as coisas; como, pois, está escrito sobre o Filho do Homem que sofrerá muito e será aviltado?
13 Maar Ik zal jullie iets vertellen: Elia is reeds gekomen en ze hebben hem alles aangedaan wat ze wilden, zoals over hem in de Schriften staat.”
13 Eu, porém, vos digo que Elias já veio, e fizeram com ele tudo o que quiseram, como a seu respeito está escrito.
14 Toen ze bij de andere leerlingen kwamen, zagen ze dat er een grote menigte om hen heen stond en er Schriftgeleerden met hen discussieerden.
14 Quando eles se aproximaram dos discípulos, viram numerosa multidão ao redor e que os escribas discutiam com eles.
15 Zodra alle mensen Jezus zagen, waren ze volkomen verrast en haastten ze zich naar Hem toe om Hem te begroeten.
15 E logo toda a multidão, ao ver Jesus, tomada de surpresa, correu para ele e o saudava.
16 Hij vroeg hun: “Waarover zijn jullie aan het discussiëren?”
16 Então, ele interpelou os escribas: Que é que discutíeis com eles?
17 Iemand uit de menigte antwoordde: “Leraar, ik kwam mijn zoon bij U brengen; hij heeft een geest in zich waardoor hij niet kan praten.
17 E um, dentre a multidão, respondeu: Mestre, trouxe-te o meu filho, possesso de um espírito mudo;
18 Overal waar deze hem overmant, gooit hij hem tegen de grond. Dan staat het schuim op zijn lippen, knarst hij met zijn tanden en verstijft hij. Ik heb uw leerlingen gevraagd om de geest uit te drijven, maar dat lukte hun niet.”
18 e este, onde quer que o apanha, lança-o por terra, e ele espuma, rilha os dentes e vai definhando. Roguei a teus discípulos que o expelissem, e eles não puderam.
19 Jezus antwoordde: “O, ongelovige mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij.”
19 Então, Jesus lhes disse: Ó geração incrédula, até quando estarei convosco? Até quando vos sofrerei? Trazei-mo.
20 Toen brachten ze de jongen bij Hem. Zodra de geest Jezus zag, zorgde hij dat de jongen begon te stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn lippen.
20 E trouxeram-lho; quando ele viu a Jesus, o espírito imediatamente o agitou com violência, e, caindo ele por terra, revolvia-se espumando.
21 Jezus vroeg aan de vader: “Hoe lang gebeurt dit al met hem?” De vader zei: “Van kleins af aan.
21 Perguntou Jesus ao pai do menino: Há quanto tempo isto lhe sucede? Desde a infância, respondeu;
22 De geest heeft hem zelfs vaak in het vuur of het water gegooid om hem om te brengen. Maar als U iets kan doen, help ons dan, heb medelijden met ons.”
22 e muitas vezes o tem lançado no fogo e na água, para o matar; mas, se tu podes alguma coisa, tem compaixão de nós e ajuda-nos.
23 Jezus zei tegen hem: “Waarom zeg je: ‘Als U iets kan doen’? Voor wie gelooft is alles mogelijk.”
23 Ao que lhe respondeu Jesus: Se podes! Tudo é possível ao que crê.
24 De vader van het kind riep meteen uit: “Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!”
24 E imediatamente o pai do menino exclamou [com lágrimas]: Eu creio! Ajuda-me na minha falta de fé!
25 Toen Jezus zag dat er veel mensen op hen afkwamen, beval Hij de onreine geest: “Jij doofstomme geest, Ik gebied je om uit hem weg te gaan en nooit weer in hem binnen te gaan.”
25 Vendo Jesus que a multidão concorria, repreendeu o espírito imundo, dizendo-lhe: Espírito mudo e surdo, eu te ordeno: Sai deste jovem e nunca mais tornes a ele.
26 Met veel stuiptrekkingen en geschreeuw ging de geest uit hem weg. De jongen bleef voor dood liggen. Veel mensen zeiden: “Hij is gestorven.”
26 E ele, clamando e agitando-o muito, saiu, deixando-o como se estivesse morto, a ponto de muitos dizerem: Morreu.
27 Maar Jezus nam hem bij de hand en hielp hem overeind. En hij stond op.
27 Mas Jesus, tomando-o pela mão, o ergueu, e ele se levantou.
28 Nadat Jezus ergens naar binnen was gegaan en ze met Hem alleen waren, vroegen zijn leerlingen: “Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?”
28 Quando entrou em casa, os seus discípulos lhe perguntaram em particular: Por que não pudemos nós expulsá-lo?
29 Hij antwoordde: “Dit soort kan enkel worden uitgedreven door middel van gebed.”
29 Respondeu-lhes: Esta casta não pode sair senão por meio de oração [e jejum].
30 Ze vertrokken uit die plaats en reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat wist.
30 E, tendo partido dali, passavam pela Galileia, e não queria que ninguém o soubesse;
31 Hij was namelijk zijn leerlingen aan het onderwijzen. Hij zei tegen hen: “De Mensenzoon zal aan de mensen worden uitgeleverd. Hij zal worden gedood en na drie dagen zal Hij verrijzen.”
31 porque ensinava os seus discípulos e lhes dizia: O Filho do Homem será entregue nas mãos dos homens, e o matarão; mas, três dias depois da sua morte, ressuscitará.
32 Maar ze begrepen deze uitspraak niet en durfden Hem niet om uitleg te vragen.
32 Eles, contudo, não compreendiam isto e temiam interrogá-lo.
33 Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen en thuis waren, vroeg Hij hen: “Waarover waren jullie onderweg aan het discussiëren?”
33 Tendo eles partido para Cafarnaum, estando ele em casa, interrogou os discípulos: De que é que discorríeis pelo caminho?
34 Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg gediscussieerd over wie van hen de belangrijkste was.
34 Mas eles guardaram silêncio; porque, pelo caminho, haviam discutido entre si sobre quem era o maior.
35 Hij ging zitten, riep de Twaalf bij zich en zei: “Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allen zijn en iedereen dienen.”
35 E ele, assentando-se, chamou os doze e lhes disse: Se alguém quer ser o primeiro, será o último e servo de todos.
36 Hij nam een kind, zette het tussen hen in, sloeg zijn armen er omheen en zei:
36 Trazendo uma criança, colocou-a no meio deles e, tomando-a nos braços, disse-lhes:
37 “Wie een kind als dit in mijn naam verwelkomt, verwelkomt Mij; en wie Mij verwelkomt, verwelkomt niet Mij maar Degene die Mij heeft gezonden.”
37 Qualquer que receber uma criança, tal como esta, em meu nome, a mim me recebe; e qualquer que a mim me receber, não recebe a mim, mas ao que me enviou.
38 Johannes zei tegen Hem: “Leraar, wij zagen iemand in uw naam demonen uitdrijven en wij wilden het hem verbieden omdat hij niet bij ons hoort.”
38 Disse-lhe João: Mestre, vimos um homem que, em teu nome, expelia demônios, o qual não nos segue; e nós lho proibimos, porque não seguia conosco.
39 Jezus antwoordde: “Verbied het hem niet, want niemand kan in mijn naam een wonder doen en onmiddellijk daarna iets lelijks over Mij zeggen.
39 Mas Jesus respondeu: Não lho proibais; porque ninguém há que faça milagre em meu nome e, logo a seguir, possa falar mal de mim.
40 Want wie niet tegen ons is, is voor ons.
40 Pois quem não é contra nós é por nós.
41 Ik verzeker jullie, wie in mijn naam een beker water aan jullie geeft, zal zijn beloning zeker niet mislopen.
41 Porquanto, aquele que vos der de beber um copo de água, em meu nome, porque sois de Cristo, em verdade vos digo que de modo algum perderá o seu galardão.
42 En wie een van deze eenvoudige mensen die in Mij geloven tot zonde aanzet, zou beter af zijn als men een zware molensteen om zijn nek zou hangen en hem in zee zou gooien.
42 E quem fizer tropeçar a um destes pequeninos crentes, melhor lhe fora que se lhe pendurasse ao pescoço uma grande pedra de moinho, e fosse lançado no mar.
43 En als je hand jou tot zonde aanzet, hak haar dan maar af. Je kan beter verminkt het leven binnengaan dan met twee handen in de hel terechtkomen, in het onuitblusbare vuur.
43 E, se tua mão te faz tropeçar, corta-a; pois é melhor entrares maneta na vida do que, tendo as duas mãos, ires para o inferno, para o fogo inextinguível
44 — ausente —
44 [onde não lhes morre o verme, nem o fogo se apaga].
45 En als je voet jou tot zonde aanzet, hak hem dan maar af. Je kan beter gehandicapt het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de hel worden gegooid.
45 E, se teu pé te faz tropeçar, corta-o; é melhor entrares na vida aleijado do que, tendo os dois pés, seres lançado no inferno
46 — ausente —
46 [onde não lhes morre o verme, nem o fogo se apaga].
47 En als je oog jou tot zonde aanzet, haal het dan maar weg. Je kan beter met één oog Gods koninkrijk binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de hel worden gegooid,
47 E, se um dos teus olhos te faz tropeçar, arranca-o; é melhor entrares no reino de Deus com um só dos teus olhos do que, tendo os dois seres lançado no inferno,
48 waar ‘de wormen die aan hen vreten nooit doodgaan en het vuur niet wordt gedoofd’.
48 onde não lhes morre o verme, nem o fogo se apaga.
49 Want iedereen zal met vuur worden gezouten.
49 Porque cada um será salgado com fogo.
50 Zout is goed, maar als het zout smaakloos wordt, hoe kan je het dan zouten? Zorg dat er zout in jullie zit en bewaar de vrede met elkaar.”
50 Bom é o sal; mas, se o sal vier a tornar-se insípido, como lhe restaurar o sabor? Tende sal em vós mesmos e paz uns com os outros.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.