Marcos 6

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Jezus vertrok daarvandaan en kwam aan in zijn thuisstad. Zijn leerlingen waren met Hem meegekomen.
1 E, partindo dali, chegou à sua terra, e os seus discípulos o seguiram.
2 Toen het sabbat werd, begon Hij te onderwijzen in de synagoge en de vele toehoorders waren diep onder de indruk. Ze vroegen: “Waar haalt die Man dat toch vandaan, hoe komt Hij aan die wijsheid en hoe is het mogelijk dat Hij die wonderen doet?
2 E, chegando o sábado, começou a ensinar na sinagoga; e muitos, ouvindo- o, se admiravam, dizendo: De onde lhe vêm essas coisas? E que sabedoria é esta que lhe foi dada? E como se fazem tais maravilhas por suas mãos?
3 Is dit niet de bouwer, de zoon van Maria en broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En zijn zussen wonen toch hier bij ons?” Ze ergerden zich aan Hem.
3 Não é este o carpinteiro, filho de Maria e irmão de Tiago, e de José, e de Judas, e de Simão? E não estão aqui conosco suas irmãs? E escandalizavam-se nele.
4 Maar Jezus zei tegen hen: “Het is alleen in zijn thuisstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis dat een profeet geen eer ontvangt.”
4 E Jesus lhes dizia: Não há profeta sem honra, senão na sua terra, entre os seus parentes e na sua casa.
5 Hij kon er geen wonderen doen, alleen genas Hij enkele zieken door hun de handen op te leggen.
5 E não podia fazer ali obras maravilhosas; somente curou alguns poucos enfermos, impondo-lhes as mãos.
6 Hij verbaasde zich over hun ongeloof. Daarna trok Hij van dorp tot dorp om er te onderwijzen.
6 E estava admirado da incredulidade deles. E percorreu as aldeias vizinhas, ensinando.
7 Jezus riep de Twaalf bij zich en begon hen twee aan twee op pad te sturen. Hij gaf hun gezag over onreine geesten
7 Chamou a si os doze, e começou a enviá-los de dois a dois, e deu-lhes poder sobre os espíritos imundos,
8 en gaf hun de volgende instructies: “Neem niets mee voor onderweg, behalve een wandelstok. Geen brood, geen reistas, en geen geld in je geldriem.
8 e ordenou-lhes que nada tomassem para o caminho, senão um bordão; nem alforje, nem pão, nem dinheiro no cinto;
9 Trek wel sandalen aan, maar geen extra kledij.”
9 mas que calçassem sandálias e que não vestissem duas túnicas.
10 Jezus zei ook tegen hen: “Wanneer jullie bij iemand te gast zijn, blijf dan bij die persoon logeren totdat je uit die plaats vertrekt.
10 E dizia-lhes: Na casa em que entrardes, ficai nela até partirdes dali.
11 En wanneer men je ergens niet verwelkomt of niet naar je luistert, vertrek dan uit die plaats en schud het stof van je voetzolen als een teken voor hen van jullie afkeuring.”
11 E, quando alguns vos não receberem, nem vos ouvirem, saindo dali, sacudi o pó que estiver debaixo dos vossos pés, em testemunho contra eles. Em verdade vos digo que haverá mais tolerância no Dia do Juízo para Sodoma e Gomorra do que para os daquela cidade.
12 Ze gingen eropuit en riepen de mensen op om tot inkeer te komen.
12 E, saindo eles, pregavam ao povo que se arrependesse.
13 Ze dreven veel demonen uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.
13 E expulsavam muitos demônios, e ungiam muitos enfermos com óleo, e os curavam.
14 Jezus' naam raakte bekend en ook koning Herodes hoorde over Hem. Sommige mensen zeiden: “Johannes de Doper is uit de dood verrezen; daarom doet Hij wonderen.”
14 E ouviu isso o rei Herodes (porque o nome de Jesus se tornara notório) e disse: João, o que batizava, ressuscitou dos mortos, e por isso estas maravilhas operam nele.
15 Anderen zeiden: “Hij is Elia”, en nog anderen: “Hij is een profeet, zoals de profeten van vroeger.”
15 Outros diziam: É Elias. E diziam outros: É um profeta ou como um dos profetas.
16 Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: “Johannes, die ik heb laten onthoofden, is verrezen.”
16 Herodes, porém, ouvindo isso, disse: Este é João, que mandei degolar; ressuscitou dos mortos.
17 Herodes had namelijk zelf bevolen om Johannes te arresteren en in de gevangenis vast te zetten, wegens Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Herodes was met haar getrouwd,
17 Porquanto o mesmo Herodes mandara prender a João e encerrá-lo manietado no cárcere, por causa de Herodias, mulher de Filipe, seu irmão, porquanto tinha casado com ela.
18 en Johannes had tegen Herodes gezegd: “U mag niet met uw schoonzus trouwen.”
18 Pois João dizia a Herodes: Não te é lícito possuir a mulher de teu irmão.
19 Daarom had Herodias een hekel aan Johannes. Ze wilde hem doden, maar ze kreeg daartoe niet de gelegenheid.
19 E Herodias o espiava e queria matá-lo, mas não podia;
20 Herodes wist dat Johannes een rechtvaardige man was die een zuiver leven leidde. Herodes was bang voor Johannes en beschermde hem. Herodes luisterde graag naar Johannes, hoewel het hem in verlegenheid bracht.
20 porque Herodes temia a João, sabendo que era varão justo e santo; e guardava-o com segurança e fazia muitas coisas, atendendo-o, e de boa vontade o ouvia.
21 Herodias zag haar kans schoon op de verjaardag van Herodes, toen hij een feestmaal hield voor zijn hoge functionarissen en militaire leiders en de vooraanstaande burgers van Galilea.
21 E, chegando uma ocasião favorável em que Herodes, no dia do seu aniversário, dava uma ceia aos grandes, e tribunos, e príncipes da Galileia,
22 Toen Herodias' dochter kwam dansen, beleefden Herodes en zijn gasten daar zoveel plezier aan dat de koning tegen het meisje zei: “Vraag me wat je wil, en ik zal het je geven.”
22 entrou a filha da mesma Herodias, e dançou, e agradou a Herodes e aos que estavam com ele à mesa. Disse, então, o rei à jovem: Pede-me o que quiseres, e eu to darei.
23 Hij zwoer haar: “Ik zal je alles geven wat je vraagt, al was het de helft van mijn koninkrijk.”
23 E jurou-lhe, dizendo: Tudo o que me pedires te darei, até metade do meu reino.
24 Ze ging de zaal uit en zei tegen haar moeder: “Wat zal ik vragen?” Zij antwoordde: “Het hoofd van Johannes de Doper.”
24 E, saindo ela, perguntou à sua mãe: Que pedirei? E ela disse: A cabeça de João Batista.
25 Het meisje haastte zich meteen terug naar binnen en zei tegen de koning: “Ik wil graag dat u mij onmiddellijk het hoofd van Johannes de Doper geeft, op een schaal.”
25 E, entrando apressadamente, pediu ao rei, dizendo: Quero que, imediatamente, me dês num prato a cabeça de João Batista.
26 De koning was zwaar aangeslagen, maar omwille van wat hij had gezworen in het bijzijn van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren.
26 E o rei entristeceu-se muito; todavia, por causa do juramento e dos que estavam com ele à mesa, não lha quis negar.
27 Hij stuurde meteen een beul naar de gevangenis om het hoofd van Johannes te halen. De beul vertrok, onthoofdde Johannes
27 E, enviando logo o rei o executor, mandou que lhe trouxessem ali a cabeça de João. E ele foi e degolou-o na prisão.
28 en kwam terug met zijn hoofd op een schaal. Hij gaf het aan het meisje en zij gaf het aan haar moeder.
28 E trouxe a cabeça num prato e deu-a à jovem, e esta a deu à sua mãe.
29 Toen Johannes' leerlingen dit hoorden, haalden ze zijn lichaam op en legden het in een graf.
29 E os seus discípulos, tendo ouvido isso, foram, tomaram o seu corpo e o puseram num sepulcro.
30 De apostelen kwamen bij Jezus terug en vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en wat ze aan de mensen hadden onderwezen.
30 E os apóstolos ajuntaram-se a Jesus e contaram-lhe tudo, tanto o que tinham feito como o que tinham ensinado.
31 Maar Hij zei tegen hen: “Ga naar een afgelegen plaats, waar jullie alleen kunnen zijn, en rust wat uit.” Want het was zo'n komen en gaan dat ze zelfs niet aan eten toekwamen.
31 E ele disse-lhes: Vinde vós, aqui à parte, a um lugar deserto, e repousai um pouco. Porque havia muitos que iam, e vinham, e não tinham tempo para comer.
32 Daarom vertrokken ze per boot naar een afgelegen plaats om alleen te zijn.
32 E foram sós num barco para um lugar deserto.
33 Veel mensen die hen zagen wegvaren, herkenden hen. Ze haastten zich te voet vanuit alle steden naar die plaats, en kwamen vóór hen aan.
33 E a multidão viu-os partir, e muitos os conheceram, e correram para lá, a pé, de todas as cidades, e ali chegaram primeiro do que eles, e aproximavam-se deles.
34 Toen Jezus uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en kreeg Hij medelijden met de mensen, want ze waren als schapen zonder herder. Daarom begon Hij hun van alles te leren.
34 E Jesus, saindo, viu uma grande multidão, e teve compaixão deles, porque eram como ovelhas que não têm pastor; e começou a ensinar-lhes muitas coisas.
35 Maar toen het laat begon te worden, kwamen zijn leerlingen bij Hem en zeiden: “Dit is een afgelegen plaats en het is al laat.
35 E, como o dia fosse já muito adiantado, os seus discípulos se aproximaram dele e lhe disseram: O lugar é deserto, e o dia está já muito adiantado;
36 Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de gehuchten en dorpen in de omgeving kunnen gaan om voor zichzelf iets te kopen om te eten.”
36 despede-os, para que vão aos campos e aldeias circunvizinhas e comprem pão para si, porque não têm o que comer.
37 Maar Hij antwoordde: “Geven jullie hun maar te eten.” Zij vroegen Hem: “Hoe kunnen wij voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om aan al die mensen te geven?”
37 Ele, porém, respondendo, lhes disse: Dai-lhes vós de comer. E eles disseram-lhe: Iremos nós e compraremos duzentos dinheiros de pão para lhes darmos de comer?
38 Jezus zei: “Ga eens kijken hoeveel broden jullie hebben.” Ze gingen het na het en zeiden: “Vijf, en twee vissen.”
38 E ele disse-lhes: Quantos pães tendes? Ide ver. E, sabendo-o eles, disseram: Cinco pães e dois peixes.
39 Toen droeg Hij hun op tegen de mensen te zeggen dat ze in groepen op het groene gras moesten plaatsnemen.
39 E ordenou-lhes que fizessem assentar a todos, em grupos, sobre a erva verde.
40 Dus namen de mensen plaats in groepen van honderd en van vijftig.
40 E assentaram-se repartidos de cem em cem e de cinquenta em cinquenta.
41 Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog, naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen om uit te delen. Ook de twee vissen verdeelde Hij onder alle mensen.
41 E, tomando ele os cinco pães e os dois peixes, levantou os olhos ao céu, e abençoou, e partiu os pães, e deu- os aos seus discípulos para que os pusessem diante deles. E repartiu os dois peixes por todos.
42 Ze aten allen tot ze voldaan waren.
42 E todos comeram e ficaram fartos,
43 Daarna verzamelden ze de overgebleven brokken – wel twaalf manden vol – en de overgebleven vis.
43 e levantaram doze cestos cheios de pedaços de pão e de peixe.
44 Het aantal mannen dat had gegeten bedroeg vijfduizend.
44 E os que comeram os pães eram quase cinco mil homens.
45 Meteen daarna droeg Jezus zijn leerlingen op om in de boot te stappen en voor Hem uit naar Betsaïda over te steken terwijl Hij de menigte naar huis stuurde.
45 E logo obrigou os seus discípulos a subir para o barco, e passar adiante, para o outro lado, a Betsaida, enquanto ele despedia a multidão.
46 Nadat Hij afscheid van hen had genomen, ging Hij de berg op om te bidden.
46 E, tendo-os despedido, foi ao monte para orar.
47 Toen het avond werd, bevond de boot zich midden op het meer terwijl Hij nog alleen aan wal was.
47 E, sobrevindo a tarde, estava o barco no meio do mar, e ele, sozinho em terra.
48 Hij zag dat de leerlingen zich hard moesten inspannen om vooruit te roeien, want ze hadden de wind tegen. Tegen het einde van de nacht ging Hij hen achterna, al wandelend over het water. Toen Hij hen zou voorbijgaan,
48 E, vendo que se fatigavam a remar, porque o vento lhes era contrário, perto da quarta vigília da noite, aproximou-se deles, andando sobre o mar, e queria passar adiante deles,
49 zagen ze Hem op het meer wandelen. Ze dachten dat Hij een spook was en schreeuwden het uit.
49 mas, quando eles o viram andar sobre o mar, pensaram que era um fantasma e deram grandes gritos.
50 Iedereen zag Hem allemaal en waren doodsbang. Meteen sprak Hij hen toe: “Wees gerust, Ik ben het. Wees niet bang.”
50 Porque todos o viram e perturbaram-se; mas logo falou com eles e disse-lhes: Tende bom ânimo, sou eu; não temais.
51 Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Ze waren volkomen verbijsterd,
51 E subiu para o barco para estar com eles, e o vento se aquietou; e, entre si, ficaram muito assombrados e maravilhados,
52 want ze hadden de les van de broden niet begrepen; hun hart was verstard.
52 pois não tinham compreendido o milagre dos pães; antes, o seu coração estava endurecido.
53 Eenmaal overgestoken, kwamen ze aan land bij Gennesaret, waar ze aanmeerden.
53 E, quando já estavam no outro lado, dirigiram-se à terra de Genesaré e ali atracaram.
54 Zodra ze uit de boot stapten, herkenden de mensen Jezus.
54 E, saindo eles do barco, logo o reconheceram;
55 Ze doorkruisten de hele streek om hun zieken op draagmatten naar de plaats te dragen waarvan ze hoorden dat Hij daar was.
55 e, percorrendo toda a terra em redor, começaram a trazer em leitos, onde quer que sabiam que ele estava, os que se achavam enfermos.
56 En waar Hij ook kwam – dorpen, steden of platteland – bracht men de zieken naar marktplaatsen en smeekte men Hem om slechts de kwast onderaan zijn mantel te mogen aanraken. Iedereen die Hem aanraakte, werd genezen.
56 E, onde quer que entrava, ou em cidade, ou em aldeias, ou no campo, apresentavam os enfermos nas praças e rogavam-lhe que os deixasse tocar ao menos na orla da sua veste, e todos os que lhe tocavam saravam.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 6, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.