Marcos 14

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Het was twee dagen voor Pesach en het Feest van de Ongedesemde Broden. De hoofdpriesters en Schriftgeleerden zonnen op een list om Jezus te kunnen oppakken en doden.
1 Dali a dois dias, era a Páscoa e a Festa dos Pães Asmos; e os principais sacerdotes e os escribas procuravam como o prenderiam, à traição, e o matariam.
2 “Maar niet tijdens het feest,” zeiden ze, “anders komt er een volksopstand.”
2 Pois diziam: Não durante a festa, para que não haja tumulto entre o povo.
3 Toen Jezus in Betanië deelnam aan een maaltijd in het huis van Simon de Melaatse, kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje kostbare zuivere nardusolie. Ze brak het flesje open en goot de geurige olie over zijn hoofd.
3 Estando ele em Betânia, reclinado à mesa, em casa de Simão, o leproso, veio uma mulher trazendo um vaso de alabastro com preciosíssimo perfume de nardo puro; e, quebrando o alabastro, derramou o bálsamo sobre a cabeça de Jesus.
4 Sommige van de aanwezigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: “Waarom werd die geurige olie verspild?
4 Indignaram-se alguns entre si e diziam: Para que este desperdício de bálsamo?
5 Die olie had verkocht kunnen worden voor meer dan driehonderd denarie en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven.” Ze vielen ruw tegen haar uit.
5 Porque este perfume poderia ser vendido por mais de trezentos denários e dar-se aos pobres. E murmuravam contra ela.
6 Maar Jezus zei: “Laat haar met rust. Waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan.
6 Mas Jesus disse: Deixai-a; por que a molestais? Ela praticou boa ação para comigo.
7 Er zullen altijd arme mensen bij jullie zijn en jullie kunnen goed voor hen doen wanneer jullie willen. Maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.
7 Porque os pobres, sempre os tendes convosco e, quando quiserdes, podeis fazer-lhes bem, mas a mim nem sempre me tendes.
8 Zij heeft gedaan wat ze kon: ze heeft mijn lichaam gezalfd ter voorbereiding van mijn begrafenis.
8 Ela fez o que pôde: antecipou-se a ungir-me para a sepultura.
9 Ik verzeker jullie, overal in de wereld waar het evangelie zal worden verkondigd, zal ter herinnering aan haar worden verteld wat zij heeft gedaan.”
9 Em verdade vos digo: onde for pregado em todo o mundo o evangelho, será também contado o que ela fez, para memória sua.
10 Toen ging Judas Iskariot, een van de Twaalf, naar de hoofdpriesters om Jezus aan hen uit te leveren.
10 E Judas Iscariotes, um dos doze, foi ter com os principais sacerdotes, para lhes entregar Jesus.
11 Ze waren verheugd om dat te vernemen en beloofden dat ze hem geld zouden betalen. Daarom zocht hij naar een gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren.
11 Eles, ouvindo-o, alegraram-se e lhe prometeram dinheiro; nesse meio tempo, buscava ele uma boa ocasião para o entregar.
12 Op de eerste dag van het Feest van de Ongedesemde Broden, de dag waarop gewoonlijk het Pesachlam wordt geslacht, vroegen Jezus' leerlingen Hem: “Waar wilt U dat we de Pesachmaaltijd voor U gaan klaarmaken?”
12 E, no primeiro dia da Festa dos Pães Asmos, quando se fazia o sacrifício do cordeiro pascal, disseram-lhe seus discípulos: Onde queres que vamos fazer os preparativos para comeres a Páscoa?
13 Hij stuurde twee van zijn leerlingen eropuit met de woorden: “Ga de stad in. Daar zullen jullie een man tegenkomen die een waterkan draagt. Volg hem en
13 Então, enviou dois dos seus discípulos, dizendo-lhes: Ide à cidade, e vos sairá ao encontro um homem trazendo um cântaro de água;
14 zeg tegen de eigenaar van het huis waar hij naar binnen gaat: ‘De Leraar vraagt: Waar is het vertrek waar Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd kan eten?’
14 segui-o e dizei ao dono da casa onde ele entrar que o Mestre pergunta: Onde é o meu aposento no qual hei de comer a Páscoa com os meus discípulos?
15 Hij zal jullie een bovenzaal tonen, ingericht en op orde. Maak het daar voor ons klaar.”
15 E ele vos mostrará um espaçoso cenáculo mobilado e pronto; ali fazei os preparativos.
16 De leerlingen vertrokken, gingen de stad in, troffen alles aan volgens zijn beschrijving en maakten de Pesachmaaltijd klaar.
16 Saíram, pois, os discípulos, foram à cidade e, achando tudo como Jesus lhes tinha dito, prepararam a Páscoa.
17 's Avonds kwam Hij met de Twaalf.
17 Ao cair da tarde, foi com os doze.
18 Ze gingen aan tafel en tijdens het eten zei Jezus: “Ik verzeker jullie, één van jullie zal Mij verraden, iemand die met Mij aan het eten is.”
18 Quando estavam à mesa e comiam, disse Jesus: Em verdade vos digo que um dentre vós, o que come comigo, me trairá.
19 Daar werden ze bedroefd van en ze vroegen Hem, de een na de ander: “Ik ben het toch niet?”
19 E eles começaram a entristecer-se e a dizer-lhe, um após outro: Porventura, sou eu?
20 Hij antwoordde: “Het is één van jullie twaalf, iemand die zijn brood samen met Mij in de schaal doopt.
20 Respondeu-lhes: É um dos doze, o que mete comigo a mão no prato.
21 Want de Mensenzoon zal heengaan, zoals over Hem in de Schriften staat, maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden: voor die persoon zou het beter zijn geweest als hij niet was geboren.”
21 Pois o Filho do Homem vai, como está escrito a seu respeito; mas ai daquele por intermédio de quem o Filho do Homem está sendo traído! Melhor lhe fora não haver nascido!
22 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak een zegengebed uit, brak het in stukken, verdeelde die onder hen en zei: “Neem dit aan; dit is mijn lichaam.”
22 E, enquanto comiam, tomou Jesus um pão e, abençoando-o, o partiu e lhes deu, dizendo: Tomai, isto é o meu corpo.
23 Ook nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en reikte hun de beker aan. Ze dronken er allen uit.
23 A seguir, tomou Jesus um cálice e, tendo dado graças, o deu aos seus discípulos; e todos beberam dele.
24 Hij zei tegen hen: “Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor veel mensen wordt vergoten.
24 Então, lhes disse: Isto é o meu sangue, o sangue da [nova] aliança, derramado em favor de muitos.
25 Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de druivelaar tot de dag waarop Ik nieuwe wijn drink in Gods koninkrijk.”
25 Em verdade vos digo que jamais beberei do fruto da videira, até àquele dia em que o hei de beber, novo, no reino de Deus.
26 Na het zingen van een danklied vertrokken ze naar de Olijfberg.
26 Tendo cantado um hino, saíram para o monte das Oliveiras.
27 Jezus zei tegen hen: “Jullie zullen Mij allemaal in de steek laten, want in de Schriften staat: ‘Ik zal de herder doodslaan en de schapen zullen worden uiteengedreven.’
27 Então, lhes disse Jesus: Todos vós vos escandalizareis, porque está escrito:
28 Maar nadat Ik ben verrezen, zal Ik voor jullie uit naar Galilea gaan.”
28 Mas, depois da minha ressurreição, irei adiante de vós para a Galileia.
29 Petrus zei tegen Hem: “Al zou iedereen U in de steek laten, ik niet!”
29 Disse-lhe Pedro: Ainda que todos se escandalizem, eu, jamais!
30 Jezus antwoordde: “Ik verzeker je, vandaag, ja vannacht nog, voordat de haan tweemaal kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
30 Respondeu-lhe Jesus: Em verdade te digo que hoje, nesta noite, antes que duas vezes cante o galo, tu me negarás três vezes.
31 Petrus hield vol: “Al moet ik met U sterven, ik zal U nooit verloochenen.” Alle anderen zeiden hetzelfde.
31 Mas ele insistia com mais veemência: Ainda que me seja necessário morrer contigo, de nenhum modo te negarei. Assim disseram todos.
32 Toen ze bij een plaats aankwamen die Getsemane heet, zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Gaan jullie hier zitten terwijl Ik ga bidden.”
32 Então, foram a um lugar chamado Getsêmani; ali chegados, disse Jesus a seus discípulos: Assentai-vos aqui, enquanto eu vou orar.
33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon ontdaan en onrustig te worden.
33 E, levando consigo a Pedro, Tiago e João, começou a sentir-se tomado de pavor e de angústia.
34 Hij zei tegen hen: “Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier en waak.”
34 E lhes disse: A minha alma está profundamente triste até à morte; ficai aqui e vigiai.
35 Hij stapte iets verder, liet zich op de grond vallen en bad dat, indien mogelijk, dit tijdstip aan Hem zou mogen voorbijgaan.
35 E, adiantando-se um pouco, prostrou-se em terra; e orava para que, se possível, lhe fosse poupada aquela hora.
36 Hij zei: “Abba, Vader, U kan alles. Neem deze beker van Mij weg! laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
36 E dizia: Aba, Pai, tudo te é possível; passa de mim este cálice; contudo, não seja o que eu quero, e sim o que tu queres.
37 Toen Hij terugkwam, trof Hij hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: “Simon, slaap je? Was je zelfs niet in staat om één uur te waken?
37 Voltando, achou-os dormindo; e disse a Pedro: Simão, tu dormes? Não pudeste vigiar nem uma hora?
38 Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want de geest is wel bereidwillig maar het lichaam is zwak.”
38 Vigiai e orai, para que não entreis em tentação; o espírito, na verdade, está pronto, mas a carne é fraca.
39 Hij ging weg en bad opnieuw hetzelfde gebed.
39 Retirando-se de novo, orou repetindo as mesmas palavras.
40 Toen Hij opnieuw terugkwam, trof Hij hen slapend aan, want hun ogen waren dichtgevallen. Ze wisten niet wat ze Hem konden antwoorden.
40 Voltando, achou-os outra vez dormindo, porque os seus olhos estavam pesados; e não sabiam o que lhe responder.
41 Toen Hij voor de derde keer terugkwam, zei Hij tegen hen: “Zijn jullie nog altijd aan het slapen en rusten? Het is genoeg geweest, het tijdstip is aangebroken waarop de Mensenzoon aan de zondaars wordt uitgeleverd.
41 E veio pela terceira vez e disse-lhes: Ainda dormis e repousais! Basta! Chegou a hora; o Filho do Homem está sendo entregue nas mãos dos pecadores.
42 Sta maar op, laten we vertrekken; mijn verrader is bijna hier.”
42 Levantai-vos, vamos! Eis que o traidor se aproxima.
43 Terwijl Hij nog sprak, arriveerde Judas, een van de Twaalf, met een groep mensen met zwaarden en knuppels. Ze waren gestuurd door de hoofdpriesters, Schriftgeleerden en oudsten.
43 E logo, falava ele ainda, quando chegou Judas, um dos doze, e com ele, vinda da parte dos principais sacerdotes, escribas e anciãos, uma turba com espadas e porretes.
44 Jezus' verrader had een teken met hen afgesproken: “Het is degene die ik met een kus begroet; Hem moeten jullie arresteren en onder bewaking wegleiden.”
44 Ora, o traidor tinha-lhes dado esta senha: Aquele a quem eu beijar, é esse; prendei-o e levai-o com segurança.
45 Hij stapte recht op Jezus af, zei “Rabbi!” en gaf Hem een kus.
45 E, logo que chegou, aproximando-se, disse-lhe: Mestre! E o beijou.
46 Ze grepen Jezus en arresteerden Hem.
46 Então, lhe deitaram as mãos e o prenderam.
47 Maar een van de omstaanders trok zijn zwaard, viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn oor af.
47 Nisto, um dos circunstantes, sacando da espada, feriu o servo do sumo sacerdote e cortou-lhe a orelha.
48 Jezus zei tegen de mensen: “Zijn jullie Mij hier als een misdadiger met zwaarden en knuppels komen arresteren?
48 Disse-lhes Jesus: Saístes com espadas e porretes para prender-me, como a um salteador?
49 Ik was toch elke dag bij jullie op het tempelterrein aan het onderwijzen? Toen hebben jullie Mij niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan.”
49 Todos os dias eu estava convosco no templo, ensinando, e não me prendestes; contudo, é para que se cumpram as Escrituras.
50 Toen liet iedereen Jezus in de steek en vluchtte weg.
50 Então, deixando-o, todos fugiram.
51 Een jongeman die een linnen kledingstuk op het naakte lichaam droeg, volgde Jezus en werd door hen gegrepen.
51 Seguia-o um jovem, coberto unicamente com um lençol, e lançaram-lhe a mão.
52 Hij maakte zich uit het kledingstuk los en vluchtte naakt weg.
52 Mas ele, largando o lençol, fugiu desnudo.
53 Jezus werd weggeleid, naar de hogepriester, waar alle hoofdpriesters, oudsten en Schriftgeleerden bijeenkwamen.
53 E levaram Jesus ao sumo sacerdote, e reuniram-se todos os principais sacerdotes, os anciãos e os escribas.
54 Petrus volgde Hem op een afstand, helemaal tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de bewakers zitten om zich aan het vuur te warmen.
54 Pedro seguira-o de longe até ao interior do pátio do sumo sacerdote e estava assentado entre os serventuários, aquentando-se ao fogo.
55 De hoofdpriesters en de hele Joodse raad zochten naar een getuigenverklaring op grond waarvan ze Jezus ter dood zouden kunnen veroordelen, maar ze vonden die niet.
55 E os principais sacerdotes e todo o Sinédrio procuravam algum testemunho contra Jesus para o condenar à morte e não achavam.
56 Veel mensen legden valse verklaringen tegen Hem af, maar de getuigenissen stemden niet met elkaar overeen.
56 Pois muitos testemunhavam falsamente contra Jesus, mas os depoimentos não eram coerentes.
57 Toen kwamen er mensen naar voren met de volgende valse bezwarende verklaring:
57 E, levantando-se alguns, testificavam falsamente, dizendo:
58 “Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensen gebouwde tempel verwoesten en in drie dagen een andere, niet door mensenhanden gemaakte, tempel bouwen.”
58 Nós o ouvimos declarar: Eu destruirei este santuário edificado por mãos humanas e, em três dias, construirei outro, não por mãos humanas.
59 Maar zelfs hun getuigenissen stemden niet met elkaar overeen.
59 Nem assim o testemunho deles era coerente.
60 Toen ging de hogepriester in het midden staan en vroeg aan Jezus: “Hebt U geen antwoord op de verklaring van deze getuigen tegen U?”
60 Levantando-se o sumo sacerdote, no meio, perguntou a Jesus: Nada respondes ao que estes depõem contra ti?
61 Maar Hij zweeg en gaf helemaal geen antwoord. De hogepriester vroeg verder: “Bent U de Messias, de Zoon van de Gezegende?”
61 Ele, porém, guardou silêncio e nada respondeu. Tornou a interrogá-lo o sumo sacerdote e lhe disse: És tu o Cristo, o Filho do Deus Bendito?
62 Jezus zei: “Dat ben Ik. En u zal de Mensenzoon aan de rechterzijde van de Machtige zien zitten, en Hem zien komen met de wolken.”
62 Jesus respondeu: Eu sou, e vereis o Filho do Homem assentado à direita do Todo-Poderoso e vindo com as nuvens do céu.
63 De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: “Waarom hebben we nog getuigen nodig?
63 Então, o sumo sacerdote rasgou as suas vestes e disse: Que mais necessidade temos de testemunhas?
64 U heeft de godslastering gehoord. Wat is uw besluit?” Ze oordeelden allemaal dat Jezus de doodstraf verdiende.
64 Ouvistes a blasfêmia; que vos parece? E todos o julgaram réu de morte.
65 Sommigen begonnen naar Hem te spuwen, Hem te blinddoeken en Hem te slaan, terwijl ze riepen: “Profeteer dan!” De bedienden namen Hem over en ook zij sloegen Hem.
65 Puseram-se alguns a cuspir nele, a cobrir-lhe o rosto, a dar-lhe murros e a dizer-lhe: Profetiza! E os guardas o tomaram a bofetadas.
66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam er een dienstmeisje van de hogepriester voorbij.
66 Estando Pedro embaixo no pátio, veio uma das criadas do sumo sacerdote
67 Toen ze Petrus zag, die zich aan het warmen was, keek ze hem aan en zei ze: “U was ook bij die Jezus van Nazaret.”
67 e, vendo a Pedro, que se aquentava, fixou-o e disse: Tu também estavas com Jesus, o Nazareno.
68 Maar hij ontkende het. “Ik heb geen idee waarover je het hebt”, zei hij en ging naar het voorportaal. Toen kraaide er een haan.
68 Mas ele o negou, dizendo: Não o conheço, nem compreendo o que dizes. E saiu para o alpendre. [E o galo cantou.]
69 Maar toen het dienstmeisje hem daar zag, herhaalde ze het tegenover de omstaanders: “Die man is één van hen.”
69 E a criada, vendo-o, tornou a dizer aos circunstantes: Este é um deles.
70 Opnieuw ontkende Petrus. Na een tijdje zeiden de omstaanders tegen Petrus: “Jij bent toch echt één van hen, want je bent een Galileeër.”
70 Mas ele outra vez o negou. E, pouco depois, os que ali estavam disseram a Pedro: Verdadeiramente, és um deles, porque também tu és galileu.
71 Hij begon vloeken over zichzelf af te roepen en te zweren: “Ik ken die Man niet over Wie jullie het hebben.”
71 Ele, porém, começou a praguejar e a jurar: Não conheço esse homem de quem falais!
72 Meteen kraaide voor de tweede keer een haan. Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus tegen hem had gezegd: “Voordat de haan tweemaal kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.” Hij barstte in tranen uit en weende.
72 E logo cantou o galo pela segunda vez. Então, Pedro se lembrou da palavra que Jesus lhe dissera: Antes que duas vezes cante o galo, tu me negarás três vezes. E, caindo em si, desatou a chorar.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 14, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.