Lucas 22

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Het was bijna het Feest van de Ongedesemde Broden, dat ook Pesach wordt genoemd.
1 Estava próxima a Festa dos Pães Asmos, chamada Páscoa.
2 De hoofdpriesters en Schriftgeleerden zochten naar een geschikte manier om Jezus uit de weg te ruimen, want ze waren bang voor de reactie van het volk.
2 Preocupavam-se os principais sacerdotes e os escribas em como tirar a vida a Jesus; porque temiam o povo.
3 Toen nam Satan bezit van Judas, die Iskariot wordt genoemd en een van de Twaalf was.
3 Ora, Satanás entrou em Judas, chamado Iscariotes, que era um dos doze.
4 Hij ging naar de hoofdpriesters en de hoofden van de tempelwacht en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou uitleveren.
4 Este foi entender-se com os principais sacerdotes e os capitães sobre como lhes entregaria a Jesus;
5 Ze waren verheugd en spraken met hem af dat ze hem geld zouden betalen.
5 então, eles se alegraram e combinaram em lhe dar dinheiro.
6 Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem aan hen uit te leveren zonder dat er veel volk bij zou zijn.
6 Judas concordou e buscava uma boa ocasião de lho entregar sem tumulto.
7 Toen de Dag van de Ongedesemde Broden aanbrak, waarop het Pesachlam geslacht moest worden,
7 Chegou o dia da Festa dos Pães Asmos, em que importava comemorar a Páscoa.
8 stuurde Jezus Petrus en Johannes eropuit. Hij zei: “Ga de Pesachmaaltijd voor ons klaarmaken.”
8 Jesus, pois, enviou Pedro e João, dizendo: Ide preparar-nos a Páscoa para que a comamos.
9 Zij vroegen: “Waar wilt U dat we het klaarmaken?”
9 Eles lhe perguntaram: Onde queres que a preparemos?
10 Jezus antwoordde: “Wanneer jullie de stad binnenkomen, zullen jullie een man tegenkomen die een kan water draagt. Volg hem en ga het huis binnen dat hij binnengaat.
10 Então, lhes explicou Jesus: Ao entrardes na cidade, encontrareis um homem com um cântaro de água; segui-o até à casa em que ele entrar
11 Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘De Leraar vraagt u: Waar is het vertrek waar Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd kan eten?’
11 e dizei ao dono da casa: O Mestre manda perguntar-te: Onde é o aposento no qual hei de comer a Páscoa com os meus discípulos?
12 Hij zal jullie een ingerichte bovenzaal tonen. Maak het daar klaar.”
12 Ele vos mostrará um espaçoso cenáculo mobilado; ali fazei os preparativos.
13 Ze vertrokken, troffen alles aan overeenkomstig zijn beschrijving en maakten de Pesachmaaltijd klaar.
13 E, indo, tudo encontraram como Jesus lhes dissera e prepararam a Páscoa.
14 Toen het tijd was, ging Jezus met zijn leerlingen aan tafel.
14 Chegada a hora, pôs-se Jesus à mesa, e com ele os apóstolos.
15 Hij zei tegen hen: “Ik heb er intens naar uitgekeken, deze Pesachmaaltijd met jullie te eten voordat Ik zal lijden.
15 E disse-lhes: Tenho desejado ansiosamente comer convosco esta Páscoa, antes do meu sofrimento.
16 Want Ik zeg jullie: Ik zal het nooit meer eten voordat het zijn ware betekenis heeft gekregen in Gods koninkrijk.”
16 Pois vos digo que nunca mais a comerei, até que ela se cumpra no reino de Deus.
17 Jezus nam een beker, sprak een dankgebed uit, en zei: “Neem deze beker en laat hem onder jullie rondgaan.
17 E, tomando um cálice, havendo dado graças, disse: Recebei e reparti entre vós;
18 Want Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van de vrucht van de druivelaar totdat Gods koninkrijk gekomen is.”
18 pois vos digo que, de agora em diante, não mais beberei do fruto da videira, até que venha o reino de Deus.
19 Jezus nam een brood, sprak een dankgebed uit, brak het in stukken en deelde die uit aan zijn leerlingen, terwijl Hij zei: “Dit is mijn lichaam, dat voor jullie wordt gegeven. Doe dit om Mij te gedenken.”
19 E, tomando um pão, tendo dado graças, o partiu e lhes deu, dizendo: Isto é o meu corpo oferecido por vós; fazei isto em memória de mim.
20 Nadat ze hadden gegeten nam Jezus op dezelfde wijze een beker en zei Hij: “Deze beker die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond, dat wordt gesloten door middel van mijn bloed.
20 Semelhantemente, depois de cear, tomou o cálice, dizendo: Este é o cálice da nova aliança no meu sangue derramado em favor de vós.
21 Toch bevindt mijn verrader zich samen met Mij aan tafel.
21 Todavia, a mão do traidor está comigo à mesa.
22 Want de Mensenzoon zal wel heengaan, zoals reeds is bepaald, maar wee degene door wie Hij wordt verraden.”
22 Porque o Filho do Homem, na verdade, vai segundo o que está determinado, mas ai daquele por intermédio de quem ele está sendo traído!
23 Ze begonnen met elkaar te discussiëren over wie van hen degene zou kunnen zijn die dit zou doen.
23 Então, começaram a indagar entre si quem seria, dentre eles, o que estava para fazer isto.
24 Ook ontstond onder hen onenigheid, over wie van hen als de belangrijkste werd beschouwd.
24 Suscitaram também entre si uma discussão sobre qual deles parecia ser o maior.
25 Jezus zei tegen hen: “Bij de andere volken is het zo dat hun koningen de baas over hen spelen en dat zij die macht over hen uitoefenen zich weldoener noemen.
25 Mas Jesus lhes disse: Os reis dos povos dominam sobre eles, e os que exercem autoridade são chamados benfeitores.
26 Maar bij jullie is het zo niet. Integendeel, laat hij die de belangrijkste onder jullie is, als de minst belangrijke worden, en de leider als de dienaar.
26 Mas vós não sois assim; pelo contrário, o maior entre vós seja como o menor; e aquele que dirige seja como o que serve.
27 Immers, wie is er belangrijker, iemand die aan tafel heeft plaatsgenomen of iemand die bedient? Is het niet de persoon die aan tafel heeft plaatsgenomen? Maar Ik gedraag me in jullie midden als iemand die bedient.
27 Pois qual é maior: quem está à mesa ou quem serve? Porventura, não é quem está à mesa? Pois, no meio de vós, eu sou como quem serve.
28 Jullie zijn het die in al mijn beproevingen trouw bij Mij zijn gebleven.
28 Vós sois os que tendes permanecido comigo nas minhas tentações.
29 En zoals mijn Vader het koningschap aan Mij heeft toegekend, ken Ik dat aan jullie toe.
29 Assim como meu Pai me confiou um reino, eu vo-lo confio,
30 Daarom zullen jullie in mijn koninkrijk aan mijn tafel mogen eten en drinken en zullen jullie op een troon zitten en over de twaalf stammen van Israël rechtspreken.
30 para que comais e bebais à minha mesa no meu reino; e vos assentareis em tronos para julgar as doze tribos de Israel.
31 Simon, Simon, de satan heeft toestemming gevraagd om jullie te zeven als graan.
31 Simão, Simão, eis que Satanás vos reclamou para vos peneirar como trigo!
32 Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zal falen. Wanneer jij je herpakt hebt, versterk dan je broeders en zusters.”
32 Eu, porém, roguei por ti, para que a tua fé não desfaleça; tu, pois, quando te converteres, fortalece os teus irmãos.
33 Petrus antwoordde: “Heer, ik ben bereid om met U naar de gevangenis te gaan en te worden omgebracht.”
33 Ele, porém, respondeu: Senhor, estou pronto a ir contigo, tanto para a prisão como para a morte.
34 Maar Jezus zei: “Petrus, Ik zeg je, voordat de haan vandaag kraait, zal je driemaal ontkennen dat je Mij kent.”
34 Mas Jesus lhe disse: Afirmo-te, Pedro, que, hoje, três vezes negarás que me conheces, antes que o galo cante.
35 Jezus vroeg zijn leerlingen: “Toen Ik jullie had uitgezonden zonder geldbuidel, reistas of schoenen, hadden jullie toen ergens gebrek aan?” Ze antwoordden: “Aan niets.”
35 A seguir, Jesus lhes perguntou: Quando vos mandei sem bolsa, sem alforje e sem sandálias, faltou-vos, porventura, alguma coisa? Nada, disseram eles.
36 Hij zei tegen hen: “Laat nu wie een geldbuidel heeft, ook een reistas meenemen, en laat wie geen zwaard heeft, zijn mantel verkopen om er een te kopen.
36 Então, lhes disse: Agora, porém, quem tem bolsa, tome-a, como também o alforje; e o que não tem espada, venda a sua capa e compre uma.
37 Want Ik zeg jullie, het volgende citaat uit de Schriften gaat over Mij en moet in vervulling gaan: ‘Hij werd als een misdadiger beschouwd.’ Wat er over Mij staat, gaat nu in vervulling.”
37 Pois vos digo que importa que se cumpra em mim o que está escrito:
38 Ze zeiden: “Kijk, Heer, hier zijn twee zwaarden.” Hij antwoordde: “Genoeg hierover.”
38 Então, lhe disseram: Senhor, eis aqui duas espadas! Respondeu-lhes: Basta!
39 Jezus ging de stad uit en begaf zich zoals gewoonlijk naar de Olijfberg. Zijn leerlingen volgden Hem.
39 E, saindo, foi, como de costume, para o monte das Oliveiras; e os discípulos o acompanharam.
40 Toen Hij daar aankwam, zei Hij tegen hen: “Bid dat jullie niet in verzoeking komen.”
40 Chegando ao lugar escolhido, Jesus lhes disse: Orai, para que não entreis em tentação.
41 Hij zonderde zich van hen af, ongeveer een steenworp bij hen vandaan, en knielde neer om te bidden.
41 Ele, por sua vez, se afastou, cerca de um tiro de pedra, e, de joelhos, orava,
42 Hij zei: “Vader, als U het wil, neem dan deze beker van Mij weg; laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
42 dizendo: Pai, se queres, passa de mim este cálice; contudo, não se faça a minha vontade, e sim a tua.
43 Toen verscheen er een engel uit de hemel, die Hem kracht gaf.
43 [Então, lhe apareceu um anjo do céu que o confortava.
44 Jezus werd doodsbang. Hij bad nog vuriger en Hij zweette bloed, dat op de grond druppelde.
44 E, estando em agonia, orava mais intensamente. E aconteceu que o seu suor se tornou como gotas de sangue caindo sobre a terra.]
45 Nadat Hij had gebeden, stond Hij op en ging Hij naar zijn leerlingen toe. Hij zag dat ze van verdriet in slaap waren gevallen,
45 Levantando-se da oração, foi ter com os discípulos, e os achou dormindo de tristeza,
46 en zei tegen hen: “Hoe is het mogelijk dat jullie slapen? Sta op en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen.”
46 e disse-lhes: Por que estais dormindo? Levantai-vos e orai, para que não entreis em tentação.
47 Terwijl Hij nog sprak, kwam er een grote groep mensen aan, die werd geleid door de man die Judas heette. Hij was een van de Twaalf en ging naar Jezus toe om Hem een kus te geven.
47 Falava ele ainda, quando chegou uma multidão; e um dos doze, o chamado Judas, que vinha à frente deles, aproximou-se de Jesus para o beijar.
48 Maar Jezus vroeg hem: “Judas, is het met een kus dat jij de Mensenzoon verraadt?”
48 Jesus, porém, lhe disse: Judas, com um beijo trais o Filho do Homem?
49 Toen de mensen rondom Jezus zagen wat er stond te gebeuren, vroegen ze: “Heer, zullen we hen aanvallen met het zwaard?”
49 Os que estavam ao redor dele, vendo o que ia suceder, perguntaram: Senhor, feriremos à espada?
50 Een van hen viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn rechteroor af.
50 Um deles feriu o servo do sumo sacerdote e cortou-lhe a orelha direita.
51 Maar Jezus zei: “Stop daarmee.” Hij raakte de man aan op de plaats van het oor en genas hem.
51 Mas Jesus acudiu, dizendo: Deixai, basta. E, tocando-lhe a orelha, o curou.
52 Toen zei Jezus tegen de hoofdpriesters, de hoofden van de tempelwacht en de oudsten die op Hem waren afgekomen: “Zijn jullie op Mij afgekomen als op een misdadiger, met zwaarden en knuppels?
52 Então, dirigindo-se Jesus aos principais sacerdotes, capitães do templo e anciãos que vieram prendê-lo, disse: Saístes com espadas e porretes como para deter um salteador?
53 Toen Ik dagelijks bij jullie op het tempelterrein was, hebben jullie mij niet opgepakt, maar dit is jullie moment – nu regeert de duisternis.”
53 Diariamente, estando eu convosco no templo, não pusestes as mãos sobre mim. Esta, porém, é a vossa hora e o poder das trevas.
54 Jezus werd gearresteerd, weggeleid en naar het huis van de hogepriester gebracht. Petrus volgde op een afstand.
54 Então, prendendo-o, o levaram e o introduziram na casa do sumo sacerdote. Pedro seguia de longe.
55 Midden op de binnenplaats was een vuur aangestoken, waarrond mensen waren gaan zitten. Petrus bevond zich onder hen.
55 E, quando acenderam fogo no meio do pátio e juntos se assentaram, Pedro tomou lugar entre eles.
56 In het licht van het vuur zag een dienstmeisje hem zitten. Ze bekeek hem en zei: “Die man was ook bij Jezus.”
56 Entrementes, uma criada, vendo-o assentado perto do fogo, fitando-o, disse: Este também estava com ele.
57 Petrus ontkende het: “Ik ken Hem niet.”
57 Mas Pedro negava, dizendo: Mulher, não o conheço.
58 Een tijdje later zag iemand anders hem en zei: “Jij bent ook een van hen”, maar Petrus zei: “Nee, dat ben ik niet.”
58 Pouco depois, vendo-o outro, disse: Também tu és dos tais. Pedro, porém, protestava: Homem, não sou.
59 Na verloop van ongeveer een uur beweerde nog iemand anders: “Die man was toch echt wel bij Hem, want hij is een Galileër.”
59 E, tendo passado cerca de uma hora, outro afirmava, dizendo: Também este, verdadeiramente, estava com ele, porque também é galileu.
60 Petrus zei echter: “Ik weet niet waar je het over hebt.” Op hetzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan.
60 Mas Pedro insistia: Homem, não compreendo o que dizes. E logo, estando ele ainda a falar, cantou o galo.
61 De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Toen herinnerde Petrus zich wat de Heer tegen hem had gezegd: “Voordat vandaag de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
61 Então, voltando-se o Senhor, fixou os olhos em Pedro, e Pedro se lembrou da palavra do Senhor, como lhe dissera: Hoje, três vezes me negarás, antes de cantar o galo.
62 Hij ging naar buiten en weende bitter.
62 Então, Pedro, saindo dali, chorou amargamente.
63 De mannen die Jezus bewaakten, bespotten en sloegen Hem.
63 Os que detinham Jesus zombavam dele, davam-lhe pancadas e,
64 Ook blinddoekten ze Hem en riepen ze: “Profeteer dan, wie heeft Je geslagen?”
64 vendando-lhe os olhos, diziam: Profetiza-nos: quem é que te bateu?
65 Ze zeiden nog veel andere beledigende dingen tegen Hem.
65 E muitas outras coisas diziam contra ele, blasfemando.
66 Toen het licht werd, kwam de raad van volksoudsten, hoofdpriesters en Schriftgeleerden bijeen en werd Jezus aan de raad voorgeleid.
66 Logo que amanheceu, reuniu-se a assembleia dos anciãos do povo, tanto os principais sacerdotes como os escribas, e o conduziram ao Sinédrio, onde lhe disseram:
67 Ze zeiden: “Zeg ons of U de Messias bent.” Jezus antwoordde: “Als Ik het u zeg, zal u Mij niet geloven.
67 Se tu és o Cristo, dize-nos. Então, Jesus lhes respondeu: Se vo-lo disser, não o acreditareis;
68 En als Ik u iets zou vragen, zou u niet antwoorden.
68 também, se vos perguntar, de nenhum modo me respondereis.
69 Maar vanaf nu zal de Mensenzoon aan de rechterzijde van de machtige God zitten.”
69 Desde agora, estará sentado o Filho do Homem à direita do Todo-Poderoso Deus.
70 Ze vroegen allemaal: “Bent U dan de Zoon van God?” Hij antwoordde: “U zegt dat Ik dat ben.”
70 Então, disseram todos: Logo, tu és o Filho de Deus? E ele lhes respondeu: Vós dizeis que eu sou.
71 Toen zeiden ze: “Meer bewijs hebben we toch niet nodig? Nu hebben we het zelf uit zijn eigen mond gehoord.”
71 Clamaram, pois: Que necessidade mais temos de testemunho? Porque nós mesmos o ouvimos da sua própria boca.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.