Lucas 18

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Jezus vertelde een parabel om duidelijk te maken dat ze voortdurend moesten bidden zonder op te geven.
1 Jesus lhes contou uma parábola para mostrar que deviam orar sempre e nunca desanimar:
2 Hij zei: “Er was in een stad een rechter die geen ontzag voor God of respect voor de mensen had.
2 — Em certa cidade havia um juiz que não temia a Deus, nem respeitava ninguém.
3 In diezelfde stad was er een weduwe die hem steeds opnieuw kwam vragen: ‘Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.’
3 Havia também, naquela mesma cidade, uma viúva que sempre o procurava, dizendo: “Julgue a minha causa contra o meu adversário.”
4 Een tijdlang wilde hij niet, maar daarna dacht hij: ‘Ik heb geen ontzag voor God en geen respect voor de mensen,
4 Por algum tempo, ele não a quis atender, mas depois pensou assim: “É bem verdade que eu não temo a Deus, nem respeito ninguém.
5 maar deze weduwe valt me zodanig lastig dat ik haar recht zal verschaffen. Anders blijft ze terugkomen totdat ik toegeef.’”
5 Porém, como esta viúva fica me incomodando, vou julgar a sua causa, para não acontecer que, por fim, venha a molestar-me.”
6 De Heer vervolgde: “Luister naar de woorden van de onrechtvaardige rechter.
6 Então o Senhor disse:
7 Zou God dan geen recht verschaffen aan de mensen die Hij heeft uitverkoren wanneer ze dag en nacht tot Hem roepen, en zou Hij hen lang laten wachten?
7 Será que Deus não fará justiça aos seus escolhidos, que a ele clamam dia e noite, embora pareça demorado em defendê-los?
8 Ik zeg jullie dat Hij hun snel recht zal verschaffen. Maar zal de Mensenzoon geloof op aarde vinden wanneer Hij komt?”
8 Digo a vocês que, depressa, lhes fará justiça. Contudo, quando o Filho do Homem vier, será que ainda encontrará fé sobre a terra?
9 Jezus vertelde ook een parabel aan enkele mensen die zichzelf als rechtvaardig beschouwden en op anderen neerkeken.
9 Jesus também contou esta parábola para alguns que confiavam em si mesmos, por se considerarem justos, e desprezavam os outros:
10 Hij zei: “Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden; de één was farizeeër, de ander belastinginner.
10 — Dois homens foram ao templo para orar: um era fariseu e o outro era publicano.
11 De farizeeër ging rechtop staan en bad: ‘O God, ik dank U dat ik niet ben als de anderen: roofzuchtige, corrupte, overspelige mensen, of zelfs als deze belastinginner.
11 O fariseu ficou em pé e orava de si para si mesmo, desta forma: “Ó Deus, graças te dou porque não sou como os demais homens, roubadores, injustos e adúlteros, nem ainda como este publicano.
12 Ik vast tweemaal per week en ik geef tien procent van al mijn inkomsten weg.’
12 Jejuo duas vezes por semana e dou o dízimo de tudo o que ganho.”
13 De belastinginner daarentegen bleef op een afstand staan en durfde zelfs niet omhoog te kijken, naar de hemel. Hij sloeg zichzelf op de borst en zei: ‘O God, schenk mij genade, want ik ben een zondaar.’
13 O publicano, estando em pé, longe, nem mesmo ousava levantar os olhos para o céu, mas batia no peito, dizendo: “Ó Deus, tem pena de mim, que sou pecador!”
14 Ik zeg jullie: deze man, en niet de andere, was met God in het reine toen hij naar huis ging. Want ieder die zichzelf een eervolle plaats toebedeelt, zal een geringe plaats krijgen, en wie zichzelf een geringe plaats toebedeelt, zal een eervolle plaats krijgen.”
14 Digo a vocês que este desceu justificado para a sua casa, e não aquele. Porque todo o que se exalta será humilhado; mas o que se humilha será exaltado.
15 Er werden ook jonge kinderen bij Jezus gebracht met de bedoeling dat Hij hen zou aanraken, maar zijn leerlingen zagen het en ze berispten de mensen.
15 Traziam também as crianças a Jesus para que ele as abençoasse, mas os discípulos, ao verem isso, os repreendiam.
16 Jezus riep de kinderen echter bij zich. Hij zei: “Laat de kinderen bij Mij komen en houd hen niet tegen, want Gods koninkrijk is bestemd voor wie is zoals zij.
16 Jesus, porém, chamando as crianças para junto de si, disse:
17 Ik verzeker jullie: wie Gods koninkrijk niet aanvaardt als een kind, zal het in geen geval binnengaan.”
17 Em verdade lhes digo: Quem não receber o Reino de Deus como uma criança de maneira nenhuma entrará nele.
18 Een vooraanstaand man vroeg aan Jezus: “Goede leraar, wat moet ik doen om het eeuwig leven te ontvangen?”
18 Certo homem de destaque perguntou a Jesus: — Bom Mestre, que farei para herdar a vida eterna?
19 Jezus vroeg hem: “Waarom noem je Mij goed? Behalve God is niemand goed.
19 Jesus respondeu:
20 Je kent toch de geboden? Pleeg geen echtbreuk, pleeg geen moord, steel niet, leg geen leugenachtige verklaring af, eer je vader en moeder.”
20 Você conhece os mandamentos: “Não cometa adultério”, “não mate”, “não furte”, “não dê falso testemunho”, “honre o seu pai e a sua mãe”.
21 De man zei: “Aan al die dingen heb ik me van jongs af aan gehouden.”
21 Então o homem disse: — Tudo isso tenho observado desde a minha juventude.
22 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen hem: “Er ontbreekt je nog één ding; verkoop alles wat je hebt en geef de opbrengst aan de armen. Dan zal je een schat in de hemel hebben. Kom dan terug en volg Mij.”
22 Ouvindo isso, Jesus lhe disse:
23 Toen de man dat hoorde, werd hij bedroefd, want hij was schatrijk.
23 Mas, ouvindo ele estas palavras, ficou muito triste, porque era riquíssimo.
24 Jezus keek hem aan en zei: “Wat is het moeilijk voor rijken om Gods koninkrijk binnen te gaan.
24 Jesus, vendo-o assim triste, disse:
25 Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke om Gods koninkrijk binnen te gaan.”
25 Porque é mais fácil um camelo passar pelo fundo de uma agulha do que um rico entrar no Reino de Deus.
26 De mensen die dat hoorden, vroegen: “Maar wie kan dan worden gered?”
26 Os que ouviram isto perguntaram: — Sendo assim, quem pode ser salvo?
27 Jezus antwoordde: “Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.”
27 Mas Jesus respondeu:
28 Petrus zei: “Wij hebben achtergelaten wat we hadden, om U te volgen.”
28 Então Pedro disse: — Eis que nós deixamos nossa casa e seguimos o senhor.
29 Jezus antwoordde: “Ik verzeker jullie, er is niemand die zijn huis, vrouw, broers, zussen, ouders of kinderen heeft achtergelaten voor Gods koninkrijk,
29 Jesus lhes respondeu:
30 die niet veel meer terugkrijgt in deze tijd en die niet in de toekomst het eeuwig leven zal ontvangen.”
30 que não receba, no presente, muitas vezes mais e, no mundo por vir, receberá a vida eterna.
31 Jezus nam de Twaalf apart en zei tegen hen: “Luister, we gaan naar Jeruzalem en alles wat de profeten over de Mensenzoon hebben geschreven, zal in vervulling gaan.
31 Chamando os doze para um lado, Jesus lhes disse:
32 Hij zal aan de niet-Joden worden uitgeleverd en worden bespot, beledigd en bespuwd.
32 Ele será entregue aos gentios, que vão zombar dele, insultá-lo e cuspir nele.
33 Zij zullen Hem geselen en vervolgens doden, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
33 Depois de açoitá-lo, eles o matarão, mas, ao terceiro dia, ressuscitará.
34 De leerlingen begrepen er niets van; zijn uitspraak was onbegrijpelijk voor hen en ze konden niet bevatten wat Hij had gezegd.
34 Eles, porém, não entenderam nada disso. O significado dessas palavras lhes era encoberto, e eles não sabiam do que Jesus estava falando.
35 Toen Jezus dicht bij Jericho kwam, zat er een blinde man bij de weg te bedelen.
35 Aconteceu que, quando Jesus se aproximava de Jericó, um cego estava sentado à beira do caminho, pedindo esmolas.
36 Toen hij hoorde dat er veel mensen voorbij wandelden, vroeg hij wat er aan de hand was.
36 E, ouvindo o barulho da multidão que passava, perguntou o que era aquilo.
37 Men vertelde hem dat Jezus van Nazaret voorbijkwam.
37 Anunciaram-lhe que Jesus, o Nazareno, estava passando.
38 Toen begon hij te roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”
38 Então ele gritou: — Jesus, Filho de Davi, tenha compaixão de mim!
39 De mensen die voorop wandelden, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij riep almaar luider: “Zoon van David, heb medelijden met mij!”
39 E os que iam na frente o repreendiam para que se calasse. Mas ele gritava cada vez mais: — Filho de Davi, tenha compaixão de mim!
40 Jezus hield halt en gaf opdracht, de man bij Hem te brengen. Toen hij dichterbij kwam, vroeg Jezus:
40 Jesus parou e mandou que trouxessem o cego. E, tendo ele chegado, Jesus perguntou:
41 “Wat wil je dat Ik voor je doe?” De man zei: “Heer, zorg dat ik weer zie.”
41 — O que você quer que eu lhe faça? Ele respondeu: — Senhor, que eu possa ver de novo.
42 Jezus zei tegen hem: “Zie! Je geloof heeft je genezen.”
42 Jesus lhe disse:
43 Op hetzelfde moment kon de man weer zien. Hij volgde Jezus en verheerlijkte God. Heel het volk zag dat en prees God.
43 Imediatamente ele passou a ver de novo e seguia Jesus, glorificando a Deus. Também todo o povo, vendo isto, dava louvores a Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 18, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.