João 8

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Jezus vertrok naar de Olijfberg.
1 [Depois todos foram para casa, mas Jesus foi para o monte das Oliveiras.
2 Toen Hij de volgende ochtend naar het tempelterrein terugkeerde, kwam heel het volk naar Hem toe. Hij ging zitten en onderwees hen.
2 De madrugada ele voltou ao pátio do Templo, e o povo se reuniu em volta dele. Jesus estava sentado, ensinando a todos.
3 Toen brachten de Schriftgeleerden en de farizeeën een vrouw naar Hem toe, die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden,
3 Aí alguns mestres da Lei e fariseus levaram a Jesus uma mulher que tinha sido apanhada em adultério e a obrigaram a ficar de pé no meio de todos.
4 en zeiden tegen Jezus: “Leraar, deze vrouw is op heterdaad op overspel betrapt.
4 Eles disseram: — Mestre, esta mulher foi apanhada no ato de adultério.
5 Mozes heeft ons in de Wet bevolen dat zo'n vrouw gestenigd moet worden. Wat vindt U?”
5 De acordo com a Lei que Moisés nos deu, as mulheres adúlteras devem ser mortas a pedradas. Mas o senhor, o que é que diz sobre isso?
6 Ze zeiden dit om Hem op de proef te stellen, om iets te hebben waarvan ze Hem zouden kunnen beschuldigen. Maar Jezus boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond.
6 Eles fizeram essa pergunta para conseguir uma prova contra Jesus, pois queriam acusá-lo. Mas ele se abaixou e começou a escrever no chão com o dedo.
7 Toen ze bleven doorvragen, ging Hij rechtop zitten en zei Hij tegen hen: “Wie van jullie heeft nog nooit gezondigd? Laat die persoon de eerste steen naar haar gooien.”
7 Como eles continuaram a fazer a mesma pergunta, Jesus endireitou o corpo e disse a eles:
8 Hij boog zich opnieuw voorover en schreef op de grond.
8 Depois abaixou-se outra vez e continuou a escrever no chão.
9 Toen ze dat hoorden, vertrokken ze een voor een, te beginnen met de oudsten. Jezus bleef alleen achter met de vrouw die in het midden had gestaan.
9 Quando ouviram isso, todos foram embora, um por um, começando pelos mais velhos. Ficaram só Jesus e a mulher, e ela continuou ali, de pé.
10 Jezus ging weer rechtop zitten en vroeg haar: “Waar zijn ze? Heeft niemand je veroordeeld?”
10 Então Jesus endireitou o corpo e disse:
11 Ze zei: “Niemand, meneer.” Jezus zei: “Ik veroordeel je ook niet. Je mag gaan. Zorg dat je voortaan niet meer zondigt.”
11 — Ninguém, senhor! — respondeu ela. Jesus disse:
12 Opnieuw sprak Jezus de mensen toe. Hij zei: “Ik ben het licht voor de wereld. Wie Mij volgt, leeft niet meer in het duister, maar heeft het licht dat leven geeft.”
12 De novo Jesus começou a falar com eles e disse:
13 De farizeeën zeiden tegen Hem: “U getuigt van Uzelf; uw getuigenis is dus niet rechtsgeldig.”
13 Os fariseus disseram a Jesus: — Agora você está falando a favor de você mesmo. Por isso o que você diz não tem valor.
14 Jezus antwoordde: “Al getuig Ik van Mezelf, mijn getuigenis is rechtsgeldig, omdat Ik weet waar Ik vandaan kom en waar Ik naartoe ga. Jullie daarentegen weten niet waar Ik vandaan kom of waar Ik naartoe ga.
14 Jesus respondeu:
15 Jullie oordelen aan de hand van menselijke maatstaven; Ik oordeel niemand.
15 Vocês julgam de modo puramente humano; mas eu não julgo ninguém.
16 Maar zelfs als Ik oordeel, dan is mijn oordeel rechtsgeldig, want Ik ben niet alleen. Ik ben samen met de Vader, die Mij heeft gestuurd.
16 E, se eu julgar, o meu julgamento é verdadeiro porque não julgo sozinho, pois o Pai, que me enviou, está comigo.
17 Zelfs in jullie Wet staat dat de getuigenis van twee personen rechtsgeldig is.
17 Na
18 Van Mij getuigen Ikzelf en de Vader die Mij gestuurd heeft.”
18 Eu dou testemunho a respeito de mim mesmo, e o Pai, que me enviou, também dá testemunho a meu respeito.
19 Ze vroegen Hem: “Waar is uw vader dan?” Jezus antwoordde: “Jullie kennen noch Mij, noch mijn Vader. Als jullie Mij zouden kennen, zouden jullie ook mijn Vader kennen.”
19 — Onde está o seu pai? — perguntaram. Jesus respondeu:
20 Dit is wat Jezus zei toen Hij onderwees in de buurt van de offerkist op het tempelterrein. En niemand arresteerde Hem, want zijn moment was nog niet gekomen.
20 Jesus disse essas coisas quando estava ensinando no pátio do Templo, perto da caixa das ofertas. Ninguém o prendeu porque ainda não tinha chegado a sua hora.
21 Opnieuw sprak Jezus de mensen toe. “Ik ga weg, jullie zullen Mij zoeken en jullie zullen sterven in je zondige staat. Waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.”
21 Jesus disse outra vez:
22 De Joodse leiders zeiden: “Hij zegt: ‘Waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.’ Hij gaat toch geen zelfmoord plegen?”
22 Os líderes judeus disseram: — Ele diz que nós não podemos ir para onde ele vai! Será que ele vai se matar?
23 Hij zei tegen hen: “Jullie zijn van beneden, Ik ben van boven. Jullie zijn van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.
23 Jesus continuou:
24 Ik heb tegen jullie gezegd dat jullie zullen sterven in je zondige staat. Als jullie niet geloven dat Ik ben wie Ik ben, zullen jullie sterven in je zondige staat.”
24 Por isso eu disse que vocês vão morrer sem o perdão dos seus pecados. De fato, morrerão sem o perdão dos seus pecados se não crerem que “
25 Ze vroegen Hem: “Wie bent U dan?” Jezus zei tegen hen: “Wat Ik jullie van in het begin heb gezegd.
25 — Quem é você? — perguntaram a Jesus. Ele respondeu:
26 Er is veel dat Ik over jullie kan zeggen om jullie te veroordelen, maar Hij die Mij heeft gestuurd, spreekt de waarheid en wat Ik de wereld vertel, heb Ik van Hem gehoord.”
26 Existem muitas coisas a respeito de vocês das quais eu preciso falar e as quais eu preciso julgar. Porém quem me enviou é verdadeiro, e eu digo ao mundo somente o que ele me disse.
27 Ze beseften niet dat Hij hun over de Vader vertelde.
27 Eles não entenderam que ele estava falando a respeito do Pai.
28 Jezus zei tegen hen: “Wanneer jullie de Mensenzoon omhoogheffen, zullen jullie weten dat Ik ben wie Ik ben en dat Ik niets namens Mijzelf doe, maar dat Ik zeg wat de Vader Mij heeft geleerd.
28 Por isso Jesus disse:
29 Hij die Mij heeft gestuurd, is bij Mij. Hij heeft Mij niet in de steek gelaten, want Ik doe altijd wat Hem bevalt.”
29 Quem me enviou está comigo e não me deixou sozinho, pois faço sempre o que lhe agrada.
30 Toen Hij dit zei, kwamen velen tot geloof in Hem.
30 Quando Jesus disse isso, muitos creram nele.
31 Jezus zei tegen de Joodse mensen die in Hem geloofden: “Als jullie je houden aan hetgeen Ik zeg, zijn jullie werkelijk leerlingen van Mij.
31 Então Jesus disse para os que creram nele:
32 Dan zullen jullie de waarheid kennen en de waarheid zal jullie bevrijden.”
32 e conhecerão a verdade, e a verdade os libertará.
33 Ze antwoordden: “Wij zijn afstammelingen van Abraham en wij zijn nooit iemands slaaf geweest. Hoe kan U dan zeggen dat we bevrijd zullen worden?”
33 Eles responderam: — Nós somos descendentes de Abraão e nunca fomos escravos de ninguém. Como é que você diz que ficaremos livres?
34 Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, ieder die zondigt, is slaaf van de zonde.
34 Jesus disse a eles:
35 Een slaaf blijft niet altijd bij de familie, maar de zoon blijft voor altijd.
35 O escravo não fica sempre com a família, mas o filho sempre faz parte da família.
36 Als de Zoon jullie bevrijdt, zullen jullie werkelijk vrij zijn.
36 Se o Filho os libertar, vocês serão, de fato, livres.
37 Ik weet dat jullie Abrahams afstammelingen zijn. Maar toch zoeken jullie naar een mogelijkheid om Mij te doden, omdat jullie in je hart geen ruimte hebben voor hetgeen Ik zeg.
37 Eu sei que vocês são descendentes de Abraão; porém estão tentando me matar porque não aceitam os meus ensinamentos.
38 Ik vertel hetgeen Ik bij de Vader heb gezien, terwijl jullie doen wat jullie van jullie vader hebben gehoord.”
38 Eu falo das coisas que o meu Pai me mostrou, mas vocês fazem o que aprenderam com o pai de vocês.
39 Ze antwoordden: “Onze vader is Abraham.” Jezus zei tegen hen: “Als jullie kinderen van Abraham zouden zijn, zouden jullie de dingen doen die Abraham deed.
39 — O nosso pai é Abraão! — responderam eles. Então Jesus disse:
40 Maar in plaats daarvan proberen jullie Mij te doden – Mij, een mens die jullie de waarheid vertelt die Hij van God heeft gehoord – en Abraham heeft zoiets niet gedaan.
40 Mas eu lhes tenho dito a verdade que ouvi de Deus, e assim mesmo vocês estão tentando me matar. Abraão nunca fez uma coisa assim!
41 Jullie doen wat jullie vader doet.” Ze antwoordden: “Wij zijn geen onwettige kinderen, wij hebben één Vader: God.”
41 Vocês estão fazendo o que o pai de vocês fez. Eles responderam: — Nós não somos filhos ilegítimos; nós temos um Pai, que é Deus!
42 Jezus zei tegen hen: “Als God jullie Vader zou zijn, dan zouden jullie liefdevol met Mij omgaan, want Ik kom van God. Ik ben niet namens Mijzelf gekomen; Hij heeft Mij gezonden.
42 Jesus disse a eles:
43 Waarom begrijpen jullie niet wat Ik zeg? Omdat jullie het niet kunnen verdragen om mijn woorden te horen.
43 Por que é que vocês não entendem o que eu digo? É porque não querem ouvir a minha mensagem.
44 Jullie vader is de duivel en jullie doen graag wat hij verlangt. Hij was een moordenaar vanaf het begin en hij houdt zich niet aan de waarheid, omdat er in hem geen waarheid is. Wanneer hij liegt, spreekt hij uit zichzelf. Hij is een leugenaar, de vader van de leugen.
44 Vocês são filhos do Diabo e querem fazer o que o pai de vocês quer. Desde a criação do mundo ele foi assassino e nunca esteve do lado da verdade porque nele não existe verdade. Quando o Diabo mente, está apenas fazendo o que é o seu costume, pois é mentiroso e é o pai de todas as mentiras.
45 Maar omdat Ik de waarheid spreek, geloven jullie Mij niet.
45 Mas, porque eu digo a verdade, vocês não creem em mim.
46 Wie van jullie kan Mij terechtwijzen voor een zonde die Ik gedaan zou hebben? Als Ik de waarheid spreek, waarom geloven jullie Mij dan niet?
46 Qual de vocês pode provar que eu tenho algum pecado? Se digo a verdade, por que não creem em mim?
47 Hij die God als Vader heeft, luistert naar Gods woorden. De reden waarom jullie niet luisteren, is dat God niet jullie Vader is.”
47 A pessoa que é de Deus escuta as palavras de Deus. Vocês não escutam as palavras de Deus porque vocês não são dele.
48 De Joodse leiders antwoordden: “Het is terecht dat wij zeggen dat U een Samaritaan bent en een demon in U heeft.”
48 Eles disseram a Jesus: — Por acaso não temos razão quando dizemos que você é
49 Jezus antwoordde: “Ik heb geen demon in Me, Ik eer mijn Vader en jullie eren Mij niet.
49 Jesus respondeu:
50 Ik wil geen eer voor Mijzelf – er is er Eén die dat voor Mij wil, en Hij is het die beslist.
50 Não procuro conseguir elogios para mim mesmo; mas existe alguém que procura consegui-los para mim, e ele é o Juiz.
51 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie zich houdt aan hetgeen Ik zeg, zal nooit de dood ervaren.”
51 Eu afirmo a vocês que isto é verdade: quem obedecer aos meus ensinamentos não morrerá nunca.
52 De Joodse leiders zeiden tegen Hem: “Nu weten wij zeker dat U een demon in U heeft. Abraham is dood, en de profeten ook, maar U zegt dat wie zich houdt aan hetgeen U zegt, nooit de dood zal ervaren.
52 Então eles disseram: — Agora temos a certeza de que você está dominado por um demônio! Abraão e todos os
53 U bent toch niet beter dan onze voorvader Abraham? Hij is dood, en de profeten ook. Wie denkt U wel dat U bent?”
53 Será que você é mais importante do que Abraão, o nosso pai, que morreu? E os profetas também morreram! Quem você pensa que é?
54 Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf eer geef, is die eer niets waard. Maar het is de Vader die Mij eer geeft en jullie zeggen dat Hij jullie God is.
54 Ele respondeu:
55 En toch kennen jullie Hem niet. Maar Ik ken Hem wel. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik een leugenaar zijn, net als jullie. Maar Ik ken Hem wel en Ik houd Mij aan hetgeen Hij zegt.
55 Vocês nunca conheceram a Deus, mas eu o conheço. Se eu disser que não o conheço, serei mentiroso como vocês; mas eu o conheço e obedeço ao que ele manda.
56 Jullie voorvader Abraham verheugde zich op mijn komst en was blij toen hij die zag.”
56 Abraão, o pai de vocês, ficou alegre ao ver o tempo da minha vinda. Ele viu esse tempo e ficou feliz.
57 De Joodse leiders zeiden tegen Hem: “U bent nog geen vijftig jaar oud en U zegt dat U Abraham heeft gezien?”
57 — Você não tem nem cinquenta anos e viu Abraão? — perguntaram eles.
58 Jezus zei tegen hen: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, Ik ben er al van voordat Abraham geboren werd.”
58 — Eu afirmo a vocês que isto é verdade: antes de Abraão nascer, “ — respondeu Jesus.
59 Toen raapten ze stenen op om Jezus daarmee te bekogelen. Maar Hij onttrok zich aan hun zicht en verliet het tempelterrein.
59 Então eles pegaram pedras para atirar em Jesus, mas ele se escondeu e saiu do pátio do Templo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 8, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.