João 4

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Jezus kwam te weten dat de farizeeën hadden gehoord dat Hij meer volgelingen maakte en doopte dan Johannes.
1 Quando Jesus soube que os fariseus tinham ouvido dizer que ele fazia e batizava mais discípulos do que João
2 (Het was echter niet Jezus zelf die doopte, maar zijn leerlingen.)
2 — se bem que Jesus mesmo não batizava, e sim os seus discípulos —,
3 Daarom verliet Hij Judea en reisde Hij terug naar Galilea.
3 deixou a Judeia, retirando-se outra vez para a Galileia.
4 Hij moest door Samaria heen,
4 E era-lhe necessário passar pela região da Samaria.
5 en zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had nagelaten.
5 Assim, Jesus chegou a uma cidade samaritana, chamada Sicar, perto das terras que Jacó tinha dado a seu filho José.
6 Daar bevond zich de Jakobsbron. Vermoeid van de reis ging Jezus bij de bron zitten. Het was ongeveer twaalf uur 's middags.
6 Ali ficava o poço de Jacó. Cansado da viagem, Jesus sentou-se junto ao poço. Era por volta do meio-dia.
7 Toen er een vrouw uit Samaria water kwam putten, vroeg Jezus haar: “Wilt u Mij wat te drinken geven?”
7 Nisso veio uma mulher samaritana tirar água. Jesus lhe disse:
8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen.
8 Pois os seus discípulos tinham ido à cidade comprar alimentos.
9 De Samaritaanse vrouw vroeg: “Hoe kan U, een Jood, mij, een Samaritaanse, om drinken vragen?” Joden gaan namelijk niet om met Samaritanen.
9 Então a mulher samaritana perguntou a Jesus: — Como, sendo o senhor um judeu, pede água a mim, que sou mulher samaritana? Ela disse isso porque os judeus não se dão com os samaritanos.
10 Jezus antwoordde: “Als je zou weten wat God kan geven en Wie het is die jou om drinken vraagt, dan zou jij Hém om drinken vragen en Hij zou je het water geven dat leven geeft.”
10 Jesus respondeu:
11 De vrouw zei: “Meneer, U hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt U dan aan dat water dat leven geeft?
11 Ao que a mulher respondeu: — O senhor não tem balde e o poço é fundo. De onde vai conseguir essa água viva?
12 U bent toch niet machtiger dan onze voorvader Jakob, die ons de bron heeft nagelaten? Hij heeft er zelf van gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.”
12 Por acaso o senhor é maior do que Jacó, o nosso pai, que nos deu o poço, do qual ele mesmo bebeu, assim como os seus filhos e o seu gado?
13 Jezus antwoordde: “Ieder die van dit water drinkt, zal opnieuw dorst krijgen.
13 Jesus respondeu:
14 Maar wie van het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Integendeel, het water dat Ik geef, zal binnenin hem een bron worden, waaruit water opwelt tot in het eeuwig leven.”
14 mas aquele que beber da água que eu lhe der nunca mais terá sede. Pelo contrário, a água que eu lhe der será nele uma fonte a jorrar para a vida eterna.
15 De vrouw vroeg: “Meneer, geef mij dit water! Dan zal ik geen dorst meer krijgen en hoef ik niet meer hierheen te komen om water te putten.”
15 A mulher lhe disse: — Senhor, quero que me dê essa água para que eu não mais tenha sede, nem precise vir aqui buscá-la.
16 Jezus zei: “Ga je man roepen en kom dan samen terug.”
16 Jesus disse:
17 De vrouw antwoordde: “Ik heb geen man.” Jezus zei tegen haar: “Het klopt wat je zegt; je hebt geen man.
17 Ao que a mulher respondeu: — Não tenho marido. Então Jesus disse:
18 Je hebt namelijk vijf mannen gehad, en degene die je nu hebt is je man niet. Wat je hebt gezegd, is waar.”
18 Porque já teve cinco, e esse que agora tem não é seu marido. O que você disse é verdade.
19 De vrouw antwoordde: “Meneer, ik zie dat U een profeet bent.
19 A mulher então lhe disse: — Agora eu sei que o senhor é um profeta!
20 Onze voorvaders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar men God behoort te aanbidden.”
20 Nossos pais adoravam neste monte, mas vocês dizem que em Jerusalém é o lugar onde se deve adorar.
21 Jezus zei: “Geloof Mij, mevrouw, er komt een tijd dat jullie de Vader noch op deze berg noch in Jeruzalem zullen aanbidden.
21 Jesus respondeu:
22 Jullie aanbidden God zonder Hem te kennen, wij kennen de God die wij aanbidden. De redding komt immers van het Joodse volk.
22 Vocês adoram o que não conhecem; nós adoramos o que conhecemos, porque a salvação vem dos judeus.
23 Er komt echter een tijd – en het is nu al zover – dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden door de kracht van de Geest en in overeenstemming met de waarheid. De Vader wil door dat soort mensen worden aanbeden.
23 Mas vem a hora — e já chegou — em que os verdadeiros adoradores adorarão o Pai em espírito e em verdade. Porque são esses que o Pai procura para seus adoradores.
24 God is Geest en wie Hem aanbidt, moet Hem aanbidden door de kracht van de Geest en in overeenstemming met de waarheid.”
24 Deus é Espírito, e é necessário que os seus adoradores o adorem em espírito e em verdade.
25 De vrouw zei: “Ik weet dat de Messias komt, Hij die Christus wordt genoemd. Wanneer Hij komt, zal Hij ons alles uitleggen.”
25 A mulher respondeu: — Eu sei que virá o Messias, chamado Cristo. Quando ele vier, nos anunciará todas as coisas.
26 Jezus zei: “Die persoon ben Ik, je spreekt met Hem.”
26 Então Jesus disse:
27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Jezus met een vrouw praatte. Maar niemand vroeg: “Waarom doet U dat?”, of: “Waarom praat U met haar?”
27 Naquele momento, chegaram os discípulos de Jesus e se admiraram ao vê-lo falando com uma mulher. Mas nenhum deles perguntou: “O que você está querendo?” Ou: “Por que o senhor está falando com ela?”
28 De vrouw liet haar emmer achter, ging naar de stad, en zei tegen de mensen:
28 Quanto à mulher, deixou o seu cântaro, foi à cidade e disse ao povo:
29 “Kom kijken, er is Iemand die me alles heeft verteld wat ik heb gedaan. Zou Hij de Messias zijn?”
29 — Venham comigo e vejam um homem que me disse tudo o que eu já fiz. Não seria ele, por acaso, o Cristo?
30 Ze kwamen de stad uit, naar Jezus toe.
30 Então saíram da cidade e foram até onde Jesus estava.
31 Intussen drongen Jezus' leerlingen bij Hem aan: “Rabbi, eet toch iets!”
31 Enquanto isso, os discípulos pediam a Jesus, dizendo: — Mestre, coma!
32 Maar Hij zei: “Ik leef van voedsel dat jullie niet kennen.”
32 Mas ele lhes disse:
33 De leerlingen vroegen elkaar: “Niemand heeft Hem toch eten gebracht?”
33 Então os discípulos começaram a dizer entre si: — Será que alguém lhe trouxe algo para comer?
34 Maar Jezus zei tegen hen: “Mijn voedsel is dat Ik doe wat Hij wil, die Mij heeft gestuurd, en dat Ik het werk voltooi dat Hij Mij heeft gegeven.
34 Jesus lhes declarou:
35 Zeggen jullie niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Let op, Ik zeg tegen jullie: als je goed kijkt, zie je dat de velden wit zijn, klaar voor de oogst.
35 Vocês não dizem que ainda faltam quatro meses até a colheita? Eu, porém, lhes digo: Levantem os olhos e vejam os campos, pois estão maduros para a colheita.
36 De maaier ontvangt reeds loon; hij verzamelt een opbrengst voor het eeuwig leven. Zo komt het dat de zaaier zich samen met de maaier verheugt.
36 Quem colhe recebe desde já a recompensa e ajunta o seu fruto para a vida eterna, para que se alegrem ao mesmo tempo o que semeia e o que colhe.
37 Hier is het gezegde ‘De één zaait, de ander maait’ van toepassing.
37 Pois, no caso, é verdadeiro o ditado: “Um é o que semeia, outro é o que colhe.”
38 Ik heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gewerkt, en jullie oogsten de vruchten van hun werk.”
38 Eu os enviei a colher o que vocês não semearam; outros trabalharam, e vocês aproveitaram o trabalho deles.
39 Door de getuigenis van de vrouw die zei: “Hij heeft me alles verteld wat ik ooit heb gedaan”, kwamen veel Samaritanen uit die stad tot geloof in Jezus.
39 Muitos samaritanos daquela cidade creram em Jesus, por causa do testemunho da mulher, que tinha dito: “Ele me disse tudo o que eu já fiz.”
40 Daarom kwamen de Samaritanen Jezus vragen bij hen te blijven. Hij bleef er twee dagen,
40 Quando, pois, os samaritanos foram até Jesus, pediram-lhe que permanecesse com eles; e Jesus ficou ali dois dias.
41 en door hetgeen Hij vertelde kwamen nog meer mensen tot geloof.
41 Muitos outros creram nele, por causa da palavra de Jesus.
42 Zij zeiden tegen de vrouw: “Wij geloven niet langer omwille van wat jij hebt gezegd; nu we zelf naar Hem hebben geluisterd, beseffen we dat Hij werkelijk de redder van de wereld is.”
42 E diziam à mulher: — Agora não é mais por causa do que você falou que nós cremos, mas porque nós mesmos ouvimos, e sabemos que este é verdadeiramente o Salvador do mundo.
43 Na die twee dagen vervolgde Jezus zijn reis naar Galilea.
43 Passados dois dias, Jesus saiu dali e foi para a Galileia.
44 Jezus had zelf verklaard dat een profeet in zijn thuisstad geen erkenning krijgt.
44 Porque o próprio Jesus testemunhou que um profeta não tem honra na sua própria terra.
45 Maar toen Hij in Galilea aankwam, verwelkomden de Galileeërs Hem. Ze waren namelijk bij het feest in Jeruzalem geweest en hadden gezien wat Hij tijdens het feest had gedaan.
45 Assim, quando chegou à Galileia, os galileus o receberam, porque viram todas as coisas que Jesus tinha feito em Jerusalém, por ocasião da festa, à qual eles também tinham comparecido.
46 Hij kwam opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Er was toen in Kapernaüm een koninklijk functionaris, van wie de zoon ernstig ziek was.
46 Jesus foi outra vez a Caná da Galileia, onde tinha transformado água em vinho. E havia ali um oficial do rei, cujo filho estava doente em Cafarnaum.
47 Toen hij hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en smeekte hij Hem om zijn zoon, die op sterven lag, te komen genezen.
47 Quando ouviu dizer que Jesus tinha vindo da Judeia para a Galileia, foi até ele e pediu-lhe que fosse curar o seu filho, que estava morrendo.
48 Jezus zei tegen hem: “Willen jullie dan niet geloven tenzij jullie tekenen en wonderen zien?”
48 Então Jesus lhe disse:
49 Maar de koninklijk functionaris antwoordde: “Heer, kom alstublieft mee, voordat mijn kind sterft.”
49 O oficial pediu mais uma vez: — Senhor, venha, antes que o meu filho morra!
50 Jezus antwoordde: “Ga gerust naar huis, je zoon is gezond.” De man geloofde wat Jezus tegen hem had gezegd en vertrok.
50 Jesus respondeu: O homem creu na palavra de Jesus e partiu.
51 Hij was nog onderweg, toen zijn dienaren hem tegemoetkwamen met het bericht dat zijn kind gezond was.
51 Quando já estava a caminho, os seus servos vieram ao encontro dele, anunciando-lhe que o seu filho estava vivo.
52 Hij vroeg wanneer het kind beter was geworden. Ze antwoordden: “Gisteren om één uur 's middags is de koorts verdwenen.”
52 Então perguntou a que horas o seu filho havia se sentido melhor. Informaram: — Ontem, à uma hora da tarde a febre o deixou.
53 De vader besefte dat dit het tijdstip was waarop Jezus had gezegd: “Je zoon is gezond.” Hij kwam tot geloof, en ook iedereen die bij hem in huis woonde.
53 Com isso, o pai reconheceu que aquela era precisamente a hora em que Jesus tinha dito a ele: “O seu filho vai viver.” E ele e toda a sua casa creram.
54 Dit was de tweede keer dat Jezus een wonderlijk teken verrichtte nadat Hij vanuit Judea naar Galilea was teruggekomen.
54 Este foi o segundo sinal que Jesus fez, depois de ir da Judeia para a Galileia.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 4, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.