João 13

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Het was vlak voor het Pesachfeest. Jezus wist dat zijn moment was gekomen: Hij zou vanuit deze wereld naar de Vader toe gaan. Hij had de mensen in deze wereld die bij Hem horen lief en heeft hen tot het einde liefgehad.
1 Ora, antes da Festa da Páscoa, sabendo Jesus que era chegada a sua hora de passar deste mundo para o Pai, tendo amado os seus que estavam no mundo, amou-os até ao fim.
2 Na de maaltijd gebeurde het volgende: de duivel had het idee om Jezus te verraden al in het hart van Judas, zoon van Simon van Iskariot, gelegd.
2 Durante a ceia, tendo já o diabo posto no coração de Judas Iscariotes, filho de Simão, que traísse a Jesus,
3 Jezus wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven en dat Hij van God kwam en naar God zou terugkeren.
3 sabendo este que o Pai tudo confiara às suas mãos, e que ele viera de Deus, e voltava para Deus,
4 Hij stond op van tafel, trok zijn bovenkleed uit en sloeg een handdoek om.
4 levantou-se da ceia, tirou a vestimenta de cima e, tomando uma toalha, cingiu-se com ela.
5 Toen goot Hij water in het waskruikje en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze met de handdoek die Hij had omgeslagen.
5 Depois, deitou água na bacia e passou a lavar os pés aos discípulos e a enxugar-lhos com a toalha com que estava cingido.
6 Toen Hij bij Simon Petrus kwam, protesteerde deze: “Heer, U wil mijn voeten wassen?”
6 Aproximou-se, pois, de Simão Pedro, e este lhe disse: Senhor, tu me lavas os pés a mim?
7 Jezus antwoordde: “Je begrijpt nu nog niet wat Ik doe, maar je zal het later begrijpen.”
7 Respondeu-lhe Jesus: O que eu faço não o sabes agora; compreendê-lo-ás depois.
8 Petrus zei: “U mijn voeten wassen? Dat nooit!” Maar Jezus antwoordde: “Als Ik je niet was, kan je niet bij Mij horen.”
8 Disse-lhe Pedro: Nunca me lavarás os pés. Respondeu-lhe Jesus: Se eu não te lavar, não tens parte comigo.
9 Toen zei Simon Petrus: “Heer, was in dat geval niet enkel mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.”
9 Então, Pedro lhe pediu: Senhor, não somente os pés, mas também as mãos e a cabeça.
10 Jezus antwoordde: “Wie reeds in bad is geweest, hoeft enkel zijn voeten nog te wassen, maar is verder helemaal schoon. Jullie zijn dus schoon, maar niet allemaal.”
10 Declarou-lhe Jesus: Quem já se banhou não necessita de lavar senão os pés; quanto ao mais, está todo limpo. Ora, vós estais limpos, mas não todos.
11 Hij wist namelijk wie Hem zou uitleveren; het was daarom dat Hij zei: “Jullie zijn niet allemaal schoon.”
11 Pois ele sabia quem era o traidor. Foi por isso que disse: Nem todos estais limpos.
12 Toen Hij hun voeten had gewassen, trok Hij zijn bovenkleed weer aan, nam weer plaats aan tafel, en vroeg: “Begrijpen jullie wat Ik heb gedaan?
12 Depois de lhes ter lavado os pés, tomou as vestes e, voltando à mesa, perguntou-lhes: Compreendeis o que vos fiz?
13 Jullie noemen Mij Leraar en Heer, en dat is terecht, want dat is wat Ik ben.
13 Vós me chamais o Mestre e o Senhor e dizeis bem; porque eu o sou.
14 En als Ik, de Heer en Leraar, jullie voeten heb gewassen, dan moeten jullie ook elkaars voeten wassen.
14 Ora, se eu, sendo o Senhor e o Mestre, vos lavei os pés, também vós deveis lavar os pés uns dos outros.
15 Ik heb jullie het voorbeeld gegeven; hetgeen Ik bij jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.
15 Porque eu vos dei o exemplo, para que, como eu vos fiz, façais vós também.
16 Ik zeg jullie nadrukkelijk, een slaaf staat niet boven zijn meester en een afgezant staat niet boven degene die hem heeft gestuurd.
16 Em verdade, em verdade vos digo que o servo não é maior do que seu senhor, nem o enviado, maior do que aquele que o enviou.
17 Je bent gezegend als je dit niet alleen begrijpt, maar het ook in praktijk brengt.”
17 Ora, se sabeis estas coisas, bem-aventurados sois se as praticardes.
18 “Ik heb het niet over jullie allen. Ik weet wie Ik heb uitgekozen, maar in de Schriften staat: ‘Hij die samen met mij brood at, heeft zich tegen Mij gekeerd’, en dat moet in vervulling gaan.
18 Não falo a respeito de todos vós, pois eu conheço aqueles que escolhi; é, antes, para que se cumpra a Escritura:
19 Ik zeg het jullie reeds nu, voordat het zover is, opdat jullie wanneer het gebeurt, zullen geloven dat Ik het ben.
19 Desde já vos digo, antes que aconteça, para que, quando acontecer, creiais que
20 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie iemand verwelkomt die door Mij is gezonden, verwelkomt Mij en wie Mij verwelkomt, verwelkomt Degene die Mij heeft gezonden.”
20 Em verdade, em verdade vos digo: quem recebe aquele que eu enviar, a mim me recebe; e quem me recebe recebe aquele que me enviou.
21 Nadat Hij dit had gezegd, raakte Jezus hevig ontsteld. Hij verklaarde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, een van jullie zal Mij verraden.”
21 Ditas estas coisas, angustiou-se Jesus em espírito e afirmou: Em verdade, em verdade vos digo que um dentre vós me trairá.
22 Zijn leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich vertwijfeld af wie Hij bedoelde.
22 Então, os discípulos olharam uns para os outros, sem saber a quem ele se referia.
23 Eén van zijn leerlingen, de leerling van wie Jezus veel hield, bevond zich naast Jezus aan tafel.
23 Ora, ali estava conchegado a Jesus um dos seus discípulos, aquele a quem ele amava;
24 Simon Petrus gaf die leerling een teken dat die Jezus moest vragen wie Hij bedoelde.
24 a esse fez Simão Pedro sinal, dizendo-lhe: Pergunta a quem ele se refere.
25 De leerling boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: “Heer, wie is het?”
25 Então, aquele discípulo, reclinando-se sobre o peito de Jesus, perguntou-lhe: Senhor, quem é?
26 Jezus antwoordde: “Ik zal een stuk brood in de schaal dopen en de persoon aan wie Ik het geef, die is het.” Daarop doopte Jezus een stuk brood in de schotel en gaf het aan Judas, zoon van Simon Iskariot.
26 Respondeu Jesus: É aquele a quem eu der o pedaço de pão molhado. Tomou, pois, um pedaço de pão e, tendo-o molhado, deu-o a Judas, filho de Simão Iscariotes.
27 Zodra deze het stuk brood had aangenomen, drong Satan in hem binnen. Jezus zei tegen hem: “Ga nu doen wat je van plan bent.”
27 E, após o bocado, imediatamente, entrou nele Satanás. Então, disse Jesus: O que pretendes fazer, faze-o depressa.
28 Niemand aan tafel begreep waarom Hij dit tegen hem zei.
28 Nenhum, porém, dos que estavam à mesa percebeu a que fim lhe dissera isto.
29 Omdat Judas de kas beheerde, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg om iets te kopen dat nodig was voor het feest, of om iets te geven aan de armen.
29 Pois, como Judas era quem trazia a bolsa, pensaram alguns que Jesus lhe dissera: Compra o que precisamos para a festa ou lhe ordenara que desse alguma coisa aos pobres.
30 Meteen nadat Judas het stuk brood had aangenomen, ging hij naar buiten, de nacht in.
30 Ele, tendo recebido o bocado, saiu logo. E era noite.
31 Toen Judas weg was, zei Jezus: “Nu wordt de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar en wordt in Hem ook Gods grootheid zichtbaar.
31 Quando ele saiu, disse Jesus: Agora, foi glorificado o Filho do Homem, e Deus foi glorificado nele;
32 En wanneer de Mensenzoon Gods grootheid zichtbaar heeft gemaakt, zal God zelf ook de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar maken. Dat zal heel binnenkort gebeuren.
32 se Deus foi glorificado nele, também Deus o glorificará nele mesmo; e glorificá-lo-á imediatamente.
33 Lieve kinderen, Ik zal nog even bij jullie zijn. Dan zullen jullie Mij zoeken, en wat Ik tegen iedereen heb gezegd, zeg Ik nu ook tegen jullie: waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.
33 Filhinhos, ainda por um pouco estou convosco; buscar-me-eis, e o que eu disse aos judeus também agora vos digo a vós outros: para onde eu vou, vós não podeis ir.
34 Ik geef jullie een nieuw gebod: ga liefdevol met elkaar om. Zoals Ik jullie heb liefgehad, moeten jullie elkaar liefhebben.
34 Novo mandamento vos dou: que vos ameis uns aos outros; assim como eu vos amei, que também vos ameis uns aos outros.
35 Hieraan zal iedereen jullie herkennen als mijn leerlingen: aan jullie liefde voor elkaar.”
35 Nisto conhecerão todos que sois meus discípulos: se tiverdes amor uns aos outros.
36 Simon Petrus vroeg Hem: “Heer, waar gaat U naartoe?” Jezus antwoordde: “Waar Ik naartoe ga, kan jij Mij nu niet volgen, maar later zal je Me daarheen volgen.”
36 Perguntou-lhe Simão Pedro: Senhor, para onde vais? Respondeu Jesus: Para onde vou, não me podes seguir agora; mais tarde, porém, me seguirás.
37 Petrus vroeg Hem: “Heer, waarom kan ik U nu nog niet volgen? Ik ben bereid om mijn leven voor U te geven.”
37 Replicou Pedro: Senhor, por que não posso seguir-te agora? Por ti darei a própria vida.
38 Jezus antwoordde: “Jij bent bereid om voor Mij je leven te geven? Ik zeg je nadrukkelijk, voordat er een haan kraait, zal jij Mij driemaal hebben verloochend.
38 Respondeu Jesus: Darás a vida por mim? Em verdade, em verdade te digo que jamais cantará o galo antes que me negues três vezes.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 13, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.