João 10

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur, maar op een andere plaats naar binnen klimt, is een dief, een rover.
1 Jesus disse:
2 Wie echter door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen.
2 Mas quem entra pela porta é o pastor do rebanho.
3 Voor hem doet de bewaker open en de schapen luisteren naar zijn stem. Hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt hen naar buiten.
3 O porteiro abre a porta para ele. As ovelhas reconhecem a sua voz quando ele as chama pelo nome, e ele as leva para fora do curral.
4 En wanneer hij al zijn schapen naar buiten heeft geleid, gaat hij voor hen uit. De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.
4 Quando todas estão do lado de fora, ele vai na frente delas, e elas o seguem porque conhecem a voz dele.
5 Een vreemde zullen ze zeker niet volgen. Integendeel, ze zullen van hem weglopen, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.”
5 Mas de jeito nenhum seguirão um estranho! Pelo contrário, elas fugirão, pois não conhecem a voz de estranhos.
6 Jezus vertelde hun deze parabel, maar ze begrepen niet wat Hij bedoelde.
6 Jesus fez esta comparação, mas ninguém entendeu o que ele queria dizer.
7 Jezus vervolgde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, Ik ben de deur voor de schapen.
7 Então Jesus continuou:
8 Allen die vóór Mij kwamen, waren dieven en rovers, maar naar hen hebben de schapen niet geluisterd.
8 Todos os que vieram antes de mim são ladrões e bandidos, mas as ovelhas não deram atenção à voz deles.
9 Ik ben de deur. Als iemand door Mij naar binnen gaat, zal hij gered zijn. Hij zal vrij naar binnen en buiten kunnen gaan en hij zal weidegrond vinden.
9 Eu sou a porta. Quem entrar por mim será salvo; poderá entrar e sair e achará comida.
10 De dief komt enkel om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen opdat zij het leven zullen hebben en het hun aan niets zal ontbreken.
10 O ladrão só vem para roubar, matar e destruir; mas eu vim para que as ovelhas tenham vida, a vida completa.
11 Ik ben de goede herder. De goede herder is bereid om voor de schapen zijn leven te geven.
11 — Eu sou o bom pastor; o bom pastor dá a vida pelas ovelhas.
12 Een loonarbeider is niet de herder en niet de eigenaar van de schapen. Hij ziet de wolf komen, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht. Dan valt de wolf de schapen aan en jaagt hij hen uiteen.
12 Um empregado trabalha somente por dinheiro; ele não é pastor, e as ovelhas não são dele. Por isso, quando vê um lobo chegando, ele abandona as ovelhas e foge. Então o lobo ataca e espalha as ovelhas.
13 Dat gebeurt omdat de loonarbeider niet om de schapen geeft.
13 O empregado foge porque trabalha somente por dinheiro e não se importa com as ovelhas. Eu sou o bom pastor. Assim como o Pai me conhece, e eu conheço o Pai, assim também conheço as minhas ovelhas, e elas me conhecem. E estou pronto para morrer por elas.
14 Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij.
14 — ausente —
15 Precies zo kent de Vader Mij en ken Ik de Vader. Ik geef mijn leven voor de schapen.
15 — ausente —
16 Ik heb ook andere schapen, die niet bij deze kudde horen. Ook hen moet Ik leiden en ook zij zullen naar mijn stem luisteren. Ze zullen samen één kudde vormen, met één herder.
16 Tenho outras ovelhas que não estão neste curral. Eu preciso trazer essas também, e elas ouvirão a minha voz. Então elas se tornarão um só rebanho com um só pastor.
17 De Vader heeft Mij lief omdat Ik mijn leven geef om het later terug te nemen.
17 — O Pai me ama porque eu dou a minha vida para recebê-la outra vez.
18 Niemand ontneemt Mij het leven; Ik doe er vrijwillig afstand van en Ik heb de bevoegdheid om het terug te nemen. Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.”
18 Ninguém tira a minha vida de mim, mas eu a dou por minha própria vontade. Tenho o direito de dá-la e de tornar a recebê-la, pois foi isso o que o meu Pai me mandou fazer.
19 Omwille van deze woorden raakten de Joodse leiders opnieuw onderling verdeeld.
19 Quando ouviu isso, o povo se dividiu outra vez. Muitos diziam:
20 Velen van hen zeiden: “Hij heeft een demon in Zich, Hij is gek. Waarom luisteren jullie naar Hem?”
20 — Ele está dominado por um demônio! Está louco! Por que é que vocês escutam o que ele diz?
21 Maar anderen zeiden: “Die woorden komen niet van iemand die bezeten is door een demon; een demon kan geen blindheid genezen.”
21 Outros afirmavam: — Quem está dominado por um demônio não fala assim! Será que um demônio pode dar vista aos cegos?
22 Toen werd in Jeruzalem Chanoeka gevierd; het was winter.
22 Era inverno, e em Jerusalém estavam comemorando a Festa da Dedicação .
23 Jezus wandelde over het tempelterrein, door de Zuilengalerij van Salomo.
23 Jesus estava andando pelo pátio do Templo, perto da entrada chamada “ Alpendre de Salomão ”.
24 De Joodse leiders kwamen om Hem heen staan en vroegen Hem: “Hoelang houdt U ons nog in het ongewisse? Als U de Messias bent, zeg het dan duidelijk.”
24 Então o povo se ajuntou em volta dele e perguntou: — Até quando você vai nos deixar na dúvida? Diga com franqueza: você é ou não é o
25 Jezus antwoordde: “Ik heb het jullie al gezegd en jullie geloven het niet. De daden die Ik doe in de naam van mijn Vader, tonen aan wie Ik ben.
25 Jesus respondeu:
26 Maar jullie geloven het niet omdat jullie niet bij mijn schapen horen.
26 mas vocês não creem porque não são minhas ovelhas.
27 Mijn schapen luisteren naar Mij. Ik ken hen en zij volgen Mij.
27 As minhas ovelhas escutam a minha voz; eu as conheço, e elas me seguem.
28 Ik geef hun het eeuwig leven; zij zullen nooit verloren gaan en niemand zal hen uit mijn handen roven.
28 Eu lhes dou a vida eterna, e por isso elas nunca morrerão. Ninguém poderá arrancá-las da minha mão.
29 Wat mijn Vader Mij heeft toevertrouwd, gaat alles te boven en niemand kan hen uit de handen van de Vader roven.
29 O poder que o Pai me deu é maior do que tudo, e ninguém pode arrancá-las da mão dele.
30 De Vader en Ik vormen een eenheid.”
30 Eu e o Pai somos um.
31 De Joodse leiders raapten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.
31 Então eles tornaram a pegar pedras para matar Jesus.
32 Daarom zei Jezus tegen hen: “Ik heb in opdracht van de Vader veel goede dingen gedaan en jullie hebben ze gezien; voor welke daad willen jullie Mij stenigen?”
32 E ele disse:
33 De Joodse leiders antwoordden: “We willen U niet stenigen voor een goede daad, maar voor godslastering. U beweert dat U God bent, maar U bent slechts een mens.”
33 Eles responderam: — Não é por causa de nenhuma coisa boa que queremos matá-lo, mas porque, ao dizer isso, você está
34 Jezus antwoordde: “Er staat toch in jullie Wet: ‘Ik zei: jullie zijn goden’?
34 Então Jesus afirmou:
35 De Schriften verliezen nooit hun zeggingskracht. Als mensen tot wie God spreekt goden worden genoemd,
35 Sabemos que as
36 waarom word Ik, die door de Vader ben aangesteld en naar de wereld gezonden, dan door jullie van godslastering beschuldigd omdat Ik zeg dat Ik de Zoon van God ben?
36 Quanto a mim, o Pai me escolheu e me enviou ao mundo. Então por que vocês dizem que blasfemo contra Deus quando afirmo que sou Filho dele?
37 Als de dingen die Ik doe, niet afkomstig zijn van mijn Vader, geloof Mij dan niet.
37 Se não faço o que o meu Pai manda, não creiam em mim.
38 Maar als de dingen die Ik doe wel van Hem komen, geloof die dan, zelfs als je Mij niet gelooft. Dan zullen jullie weten en beseffen dat de Vader en Ik een volkomen eenheid vormen.”
38 Mas, se eu faço, e vocês não creem em mim, então creiam pelo menos nas coisas que faço. E isso para que vocês fiquem sabendo de uma vez por todas que o Pai vive em mim e que eu vivo no Pai.
39 Ze probeerden nogmaals Hem te arresteren, maar Hij wist aan hen te ontkomen.
39 A essa altura tentaram novamente prendê-lo, mas Jesus escapou das mãos deles.
40 Hij vertrok opnieuw naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes voorheen had gedoopt, en verbleef daar.
40 Ele voltou de novo para o lado leste do rio Jordão, foi para o lugar onde João Batista tinha batizado antes e ficou lá.
41 Veel mensen kwamen naar Hem toe. Ze zeiden: “Johannes verrichtte weliswaar geen wonderlijke tekenen, maar alles wat hij over deze Man heeft gezegd, is waar.”
41 E muita gente ia vê-lo, dizendo: — João não fez nenhum milagre, mas tudo o que ele disse sobre Jesus é verdade.
42 Veel mensen kwamen daar tot geloof in Jezus.
42 E naquele lugar muita gente creu em Jesus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.