Gálatas 2

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Veertien jaar later ging ik opnieuw naar Jeruzalem. Ik ging samen met Barnabas en nam ook Titus mee.
1 Catorze anos depois, subi outra vez a Jerusalém com Barnabé, levando também a Tito.
2 Ik ging op grond van een openbaring, en ik zette het evangelie dat ik aan de niet-Joden verkondig aan de leiders in Jeruzalem uiteen. Dat gebeurde in besloten kring, want ik wilde dat mijn inspanningen toen en nu niet vergeefs zouden zijn.
2 Subi em obediência a uma revelação; e lhes expus o evangelho que prego entre os gentios, mas em particular aos que pareciam de maior influência, para, de algum modo, não correr ou ter corrido em vão.
3 En hoewel Titus, die mij vergezelde, geen Jood is, werd hij niet gedwongen zich te laten besnijden.
3 Contudo, nem mesmo Tito, que estava comigo, sendo grego, foi constrangido a circuncidar-se.
4 Er waren echter schijnchristenen bij ons geïnfiltreerd. Zij bespioneerden stiekem de vrijheid die wij in Christus hebben, om ons tot slaaf te maken.
4 E isto por causa dos falsos irmãos que se entremeteram com o fim de espreitar a nossa liberdade que temos em Cristo Jesus e reduzir-nos à escravidão;
5 Wij hebben geen moment aan hen toegegeven, want we wilden – in jullie belang – dat het ware evangelie behouden zou blijven.
5 aos quais nem ainda por uma hora nos submetemos, para que a verdade do evangelho permanecesse entre vós.
6 De leiders – hun precieze rol maakt voor mij geen verschil, want voor God is de een niet belangrijker dan de ander – die leiders hadden er niets aan toe te voegen.
6 E, quanto àqueles que pareciam ser de maior influência (quais tenham sido, outrora, não me interessa; Deus não aceita a aparência do homem), esses, digo, que me pareciam ser alguma coisa nada me acrescentaram;
7 Integendeel, ze zagen in dat het evangelie aan mij was toevertrouwd voor de niet-besnedenen, zoals het aan Petrus was toevertrouwd voor de besnedenen.
7 antes, pelo contrário, quando viram que o evangelho da incircuncisão me fora confiado, como a Pedro o da circuncisão
8 Want Hij die van Petrus een apostel voor de besnedenen heeft gemaakt, maakte van mij een apostel voor de niet-Joden.
8 (pois aquele que operou eficazmente em Pedro para o apostolado da circuncisão também operou eficazmente em mim para com os gentios)
9 Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren worden beschouwd, erkenden de genade die mij was geschonken, en ze gaven Barnabas en mij de rechterhand als teken van onze verbondenheid en onze overeenkomst dat wij ons op de niet-Joden zouden richten en zij op de besneden mensen.
9 e, quando conheceram a graça que me foi dada, Tiago, Cefas e João, que eram reputados colunas, me estenderam, a mim e a Barnabé, a destra de comunhão, a fim de que nós fôssemos para os gentios, e eles, para a circuncisão;
10 Het enige wat ze van ons vroegen was dat wij de armen zouden ondersteunen en dat was iets dat ik graag wilde doen.
10 recomendando-nos somente que nos lembrássemos dos pobres, o que também me esforcei por fazer.
11 Maar toen Kefas naar Antiochië kwam, heb ik hem openlijk tegengesproken, want het was duidelijk dat hij ongelijk had.
11 Quando, porém, Cefas veio a Antioquia, resisti-lhe face a face, porque se tornara repreensível.
12 Voordat er mensen uit Jakobus' entourage op bezoek kwamen, at Kefas namelijk samen met niet-Joden. Maar toen zij waren gekomen, stopte hij daarmee en at hij apart, omdat hij bang was voor de voorstanders van de besnijdenis.
12 Com efeito, antes de chegarem alguns da parte de Tiago, comia com os gentios; quando, porém, chegaram, afastou-se e, por fim, veio a apartar-se, temendo os da circuncisão.
13 Ook de andere Joden deden mee met die hypocrisie, zodat zelfs Barnabas in hun hypocrisie werd meegesleurd.
13 E também os demais judeus dissimularam com ele, a ponto de o próprio Barnabé ter-se deixado levar pela dissimulação deles.
14 Toen ik echter zag dat hun gedrag niet overeenkwam met het echte evangelie, zei ik in het bijzijn van iedereen tegen Kefas: “Jij bent een Jood en toch leef je niet als een jood; je houdt je niet aan de joodse rituelen. Hoe kan je dan de niet-joden dwingen om zich aan de joodse rituelen te houden?”
14 Quando, porém, vi que não procediam corretamente segundo a verdade do evangelho, disse a Cefas, na presença de todos: se, sendo tu judeu, vives como gentio e não como judeu, por que obrigas os gentios a viverem como judeus?
15 Wij die geboren Joden zijn en geen ‘zondaars van de andere volken’,
15 Nós, judeus por natureza e não pecadores dentre os gentios,
16 weten dat de mens niet rechtvaardig verklaard kan worden door de Wet na te leven, maar wel door in Christus Jezus te geloven. En wij hebben ons vertrouwen in Christus Jezus gesteld zodat we rechtvaardig verklaard worden op grond van ons geloof, en dus niet op grond van de naleving van de Wet. Niemand kan immers rechtvaardig verklaard worden door de Wet na te leven.
16 sabendo, contudo, que o homem não é justificado por obras da lei, e sim mediante a fé em Cristo Jesus, também temos crido em Cristo Jesus, para que fôssemos justificados pela fé em Cristo e não por obras da lei, pois, por obras da lei, ninguém será justificado.
17 Als ook wij die proberen om rechtvaardig verklaard te worden door Christus, zondaars blijken te zijn, wil dat dan zeggen dat Christus in dienst staat van de zonde? Absoluut niet!
17 Mas se, procurando ser justificados em Cristo, fomos nós mesmos também achados pecadores, dar-se-á o caso de ser Cristo ministro do pecado? Certo que não!
18 Als ik opnieuw opbouw wat ik had afgebroken, laat ik zien dat ik een overtreder van de Wet ben.
18 Porque, se torno a edificar aquilo que destruí, a mim mesmo me constituo transgressor.
19 De Wet heeft ervoor gezorgd dat ik, wat de Wet betreft, gestorven ben en nu voor God leef. Ik ben samen met Christus gekruisigd,
19 Porque eu, mediante a própria lei, morri para a lei, a fim de viver para Deus. Estou crucificado com Cristo;
20 en toch leef ik. Dat wil zeggen: mijn ‘ik’ leeft niet meer, maar Christus leeft in mij. Het leven dat ik nu in mijn lichaam leid, leid ik in het geloof in de Zoon van God, die zoveel van mij hield dat Hij zichzelf voor mij heeft gegeven.
20 logo, já não sou eu quem vive, mas Cristo vive em mim; e esse viver que, agora, tenho na carne, vivo pela fé no Filho de Deus, que me amou e a si mesmo se entregou por mim.
21 Ik wijs Gods genade dus niet af. Integendeel, als we met God in het reine zouden kunnen komen door middel van de Wet, dan zou Christus nodeloos zijn gestorven.
21 Não anulo a graça de Deus; pois, se a justiça é mediante a lei, segue-se que morreu Cristo em vão.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Gálatas 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.