Salmos 89

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet.
1 Cantarei para sempre as tuas misericórdias, ó Senhor ; os meus lábios proclamarão a todas as gerações a tua fidelidade.
2 Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.
2 Pois disse eu: a benignidade está fundada para sempre; a tua fidelidade, tu a confirmarás nos céus, dizendo:
3 Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:
3 Fiz aliança com o meu escolhido e jurei a Davi, meu servo:
4 Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:
4 Para sempre estabelecerei a tua posteridade e firmarei o teu trono de geração em geração.
5 Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.
5 Celebram os céus as tuas maravilhas, ó Senhor , e, na assembleia dos santos, a tua fidelidade.
6 Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.
6 Pois quem nos céus é comparável ao Senhor ? Entre os seres celestiais, quem é semelhante ao
7 Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?
7 Deus é sobremodo tremendo na assembleia dos santos e temível sobre todos os que o rodeiam.
8 God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.
8 Ó Senhor , Deus dos Exércitos, quem é poderoso como tu és, com a tua fidelidade ao redor de ti?!
9 O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.
9 Dominas a fúria do mar; quando as suas ondas se levantam, tu as amainas.
10 Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.
10 Calcaste a Raabe, como um ferido de morte; com o teu poderoso braço dispersaste os teus inimigos.
11 Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.
11 Teus são os céus, tua, a terra; o mundo e a sua plenitude, tu os fundaste.
12 De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.
12 O Norte e o Sul, tu os criaste; o Tabor e o Hermom exultam em teu nome.
13 Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.
13 O teu braço é armado de poder, forte é a tua mão, e elevada, a tua destra.
14 Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.
14 Justiça e direito são o fundamento do teu trono; graça e verdade te precedem.
15 Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
15 Bem-aventurado o povo que conhece os vivas de júbilo, que anda, ó
16 Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.
16 Em teu nome, de contínuo se alegra e na tua justiça se exalta,
17 Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.
17 porquanto tu és a glória de sua força; no teu favor avulta o nosso poder.
18 Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.
18 Pois ao Senhor pertence o nosso escudo, e ao Santo de Israel, o nosso rei.
19 Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israels.
19 Outrora, falaste em visão aos teus santos e disseste: A um herói concedi o poder de socorrer; do meio do povo, exaltei um escolhido.
20 Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.
20 Encontrei Davi, meu servo; com o meu santo óleo o ungi.
21 Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;
21 A minha mão será firme com ele, o meu braço o fortalecerá.
22 Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.
22 O inimigo jamais o surpreenderá, nem o há de afligir o filho da perversidade.
23 De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.
23 Esmagarei diante dele os seus adversários e ferirei os que o odeiam.
24 Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.
24 A minha fidelidade e a minha bondade o hão de acompanhar, e em meu nome crescerá o seu poder.
25 En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.
25 Porei a sua mão sobre o mar e a sua direita, sobre os rios.
26 En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.
26 Ele me invocará, dizendo: Tu és meu pai, meu Deus e a rocha da minha salvação.
27 Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!
27 Fá-lo-ei, por isso, meu primogênito, o mais elevado entre os reis da terra.
28 Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.
28 Conservar-lhe-ei para sempre a minha graça e, firme com ele, a minha aliança.
29 Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.
29 Farei durar para sempre a sua descendência; e, o seu trono, como os dias do céu.
30 En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.
30 Se os seus filhos desprezarem a minha lei e não andarem nos meus juízos,
31 Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;
31 se violarem os meus preceitos e não guardarem os meus mandamentos,
32 Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;
32 então, punirei com vara as suas transgressões e com açoites, a sua iniquidade.
33 Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.
33 Mas jamais retirarei dele a minha bondade, nem desmentirei a minha fidelidade.
34 Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.
34 Não violarei a minha aliança, nem modificarei o que os meus lábios proferiram.
35 Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.
35 Uma vez jurei por minha santidade (e serei eu falso a Davi?):
36 Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
36 A sua posteridade durará para sempre, e o seu trono, como o sol perante mim.
37 Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.
37 Ele será estabelecido para sempre como a lua e fiel como a testemunha no espaço.
38 Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.
38 Tu, porém, o repudiaste e o rejeitaste; e te indignaste com o teu ungido.
39 Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.
39 Aborreceste a aliança com o teu servo; profanaste-lhe a coroa, arrojando-a para a terra.
40 Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.
40 Arrasaste os seus muros todos; reduziste a ruínas as suas fortificações.
41 Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.
41 Despojam-no todos os que passam pelo caminho; e os vizinhos o escarnecem.
42 Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.
42 Exaltaste a destra dos seus adversários e deste regozijo a todos os seus inimigos.
43 Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.
43 Também viraste o fio da sua espada e não o sustentaste na batalha.
44 Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.
44 Fizeste cessar o seu esplendor e deitaste por terra o seu trono.
45 Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.
45 Abreviaste os dias da sua mocidade e o cobriste de ignomínia.
46 Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
46 Até quando, Senhor ? Esconder-te-ás para sempre? Arderá a tua ira como fogo?
47 Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
47 Lembra-te de como é breve a minha existência! Pois criarias em vão todos os filhos dos homens!
48 Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
48 Que homem há, que viva e não veja a morte? Ou que livre a sua alma das garras do sepulcro?
49 Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.
49 Que é feito, Senhor, das tuas benignidades de outrora, juradas a Davi por tua fidelidade?
50 HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?
50 Lembra-te, Senhor, do opróbrio dos teus servos e de como trago no peito a injúria de muitos povos,
51 Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.
51 com que, Senhor , os teus inimigos têm vilipendiado, sim, vilipendiado os passos do teu ungido.
52 Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden. [ (Psalms 89:53) Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ]
52 Bendito seja o Senhor para sempre! Amém e amém!

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 89, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.