Salmos 37

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
1 Não te indignes por causa dos malfeitores, nem tenhas inveja dos que praticam a iniquidade.
2 Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.
2 Pois eles dentro em breve definharão como a relva e murcharão como a erva verde.
3 Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
3 Confia no Senhor e faze o bem; habita na terra e alimenta-te da verdade.
4 En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
4 Agrada-te do Senhor , e ele satisfará os desejos do teu coração.
5 Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
5 Entrega o teu caminho ao Senhor , confia nele, e o mais ele fará.
6 En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
6 Fará sobressair a tua justiça como a luz e o teu direito, como o sol ao meio-dia.
7 Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
7 Descansa no Senhor e espera nele, não te irrites por causa do homem que prospera em seu caminho, por causa do que leva a cabo os seus maus desígnios.
8 He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
8 Deixa a ira, abandona o furor; não te impacientes; certamente, isso acabará mal.
9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.
9 Porque os malfeitores serão exterminados, mas os que esperam no
10 Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
10 Mais um pouco de tempo, e já não existirá o ímpio; procurarás o seu lugar e não o acharás.
11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
11 Mas os mansos herdarão a terra e se deleitarão na abundância de paz.
12 Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
12 Trama o ímpio contra o justo e contra ele ringe os dentes.
13 De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
13 Rir-se-á dele o Senhor, pois vê estar-se aproximando o seu dia.
14 Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
14 Os ímpios arrancam da espada e distendem o arco para abater o pobre e necessitado, para matar os que trilham o reto caminho.
15 Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
15 A sua espada, porém, lhes traspassará o próprio coração, e os seus arcos serão espedaçados.
16 Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
16 Mais vale o pouco do justo que a abundância de muitos ímpios.
17 Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
17 Pois os braços dos ímpios serão quebrados, mas os justos, o
18 Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
18 O Senhor conhece os dias dos íntegros; a herança deles permanecerá para sempre.
19 Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.
19 Não serão envergonhados nos dias do mal e nos dias da fome se fartarão.
20 Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.
20 Os ímpios, no entanto, perecerão, e os inimigos do serão aniquilados e se desfarão em fumaça.
21 Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
21 O ímpio pede emprestado e não paga; o justo, porém, se compadece e dá.
22 Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
22 Aqueles a quem o Senhor abençoa possuirão a terra; e serão exterminados aqueles a quem amaldiçoa.
23 Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
23 O Senhor firma os passos do homem bom e no seu caminho se compraz;
24 Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.
24 se cair, não ficará prostrado, porque o
25 Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.
25 Fui moço e já, agora, sou velho, porém jamais vi o justo desamparado, nem a sua descendência a mendigar o pão.
26 Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.
26 É sempre compassivo e empresta, e a sua descendência será uma bênção.
27 Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
27 Aparta-te do mal e faze o bem, e será perpétua a tua morada.
28 Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.
28 Pois o Senhor ama a justiça e não desampara os seus santos; serão preservados para sempre, mas a descendência dos ímpios será exterminada.
29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.
29 Os justos herdarão a terra e nela habitarão para sempre.
30 Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
30 A boca do justo profere a sabedoria, e a sua língua fala o que é justo.
31 De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
31 No coração, tem ele a lei do seu Deus; os seus passos não vacilarão.
32 Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
32 O perverso espreita ao justo e procura tirar-lhe a vida.
33 Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.
33 Mas o Senhor não o deixará nas suas mãos, nem o condenará quando for julgado.
34 Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.
34 Espera no Senhor , segue o seu caminho, e ele te exaltará para possuíres a terra; presenciarás isso quando os ímpios forem exterminados.
35 Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.
35 Vi um ímpio prepotente a expandir-se qual cedro do Líbano.
36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
36 Passei, e eis que desaparecera; procurei-o, e já não foi encontrado.
37 Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
37 Observa o homem íntegro e atenta no que é reto; porquanto o homem de paz terá posteridade.
38 Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.
38 Quanto aos transgressores, serão, à uma, destruídos; a descendência dos ímpios será exterminada.
39 Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.
39 Vem do Senhor a salvação dos justos; ele é a sua fortaleza no dia da tribulação.
40 En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.
40 O Senhor os ajuda e os livra; livra-os dos ímpios e os salva, porque nele buscam refúgio.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 37, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.