Salmos 104

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
1 Bendize, ó minha alma, ao Senhor ! sobrevestido de glória e majestade,
2 Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
2 coberto de luz como de um manto. Tu estendes o céu como uma cortina,
3 Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
3 pões nas águas o vigamento da tua morada, tomas as nuvens por teu carro e voas nas asas do vento.
4 Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
4 Fazes a teus anjos ventos e a teus ministros, labaredas de fogo.
5 Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
5 Lançaste os fundamentos da terra, para que ela não vacile em tempo nenhum.
6 Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
6 Tomaste o abismo por vestuário e a cobriste; as águas ficaram acima das montanhas;
7 Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
7 à tua repreensão, fugiram, à voz do teu trovão, bateram em retirada.
8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
8 Elevaram-se os montes, desceram os vales, até ao lugar que lhes havias preparado.
9 Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
9 Puseste às águas divisa que não ultrapassarão, para que não tornem a cobrir a terra.
10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
10 Tu fazes rebentar fontes no vale, cujas águas correm entre os montes;
11 Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
11 dão de beber a todos os animais do campo; os jumentos selvagens matam a sua sede.
12 Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
12 Junto delas têm as aves do céu o seu pouso e, por entre a ramagem, desferem o seu canto.
13 Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
13 Do alto de tua morada, regas os montes; a terra farta-se do fruto de tuas obras.
14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
14 Fazes crescer a relva para os animais e as plantas, para o serviço do homem, de sorte que da terra tire o seu pão,
15 En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
15 o vinho, que alegra o coração do homem, o azeite, que lhe dá brilho ao rosto, e o alimento, que lhe sustém as forças.
16 De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
16 Avigoram-se as árvores do Senhor e os cedros do Líbano que ele plantou,
17 Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
17 em que as aves fazem seus ninhos; quanto à cegonha, a sua casa é nos ciprestes.
18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
18 Os altos montes são das cabras montesinhas, e as rochas, o refúgio dos arganazes.
19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
19 Fez a lua para marcar o tempo; o sol conhece a hora do seu ocaso.
20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
20 Dispões as trevas, e vem a noite, na qual vagueiam os animais da selva.
21 De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
21 Os leõezinhos rugem pela presa e buscam de Deus o sustento;
22 De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
22 em vindo o sol, eles se recolhem e se acomodam nos seus covis.
23 De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
23 Sai o homem para o seu trabalho e para o seu encargo até à tarde.
24 Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
24 Que variedade, Senhor , nas tuas obras! Todas com sabedoria as fizeste; cheia está a terra das tuas riquezas.
25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
25 Eis o mar vasto, imenso, no qual se movem seres sem conta, animais pequenos e grandes.
26 Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
26 Por ele transitam os navios e o monstro marinho que formaste para nele folgar.
27 Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
27 Todos esperam de ti que lhes dês de comer a seu tempo.
28 Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
28 Se lhes dás, eles o recolhem; se abres a mão, eles se fartam de bens.
29 Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
29 Se ocultas o rosto, eles se perturbam; se lhes cortas a respiração, morrem e voltam ao seu pó.
30 Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
30 Envias o teu Espírito, eles são criados, e, assim, renovas a face da terra.
31 De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
31 A glória do Senhor seja para sempre! Exulte o
32 Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
32 Com só olhar para a terra, ele a faz tremer; toca as montanhas, e elas fumegam.
33 Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
33 Cantarei ao Senhor enquanto eu viver; cantarei louvores ao meu Deus durante a minha vida.
34 Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
34 Seja-lhe agradável a minha meditação; eu me alegrarei no
35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
35 Desapareçam da terra os pecadores, e já não subsistam os perversos. Bendize, ó minha alma, ao Aleluia!

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 104, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.