Sofonias 3

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Wee der ijselijke, en der bevlekte, der verdrukkende stad!
1 Ai da cidade opressora, rebelde e manchada!
2 Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den HEERE; tot haar God nadert zij niet.
2 Não atende ninguém, não aceita disciplina, não confia no nem se aproxima do seu Deus.
3 Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen.
3 Os seus príncipes são leões rugidores no meio dela, os seus juízes são lobos do anoitecer, que não deixam os ossos para serem roídos no dia seguinte.
4 Haar profeten zijn lichtvaardig, gans trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen der wet geweld aan.
4 Os seus profetas são levianos e falsos. Os seus sacerdotes profanam o santuário e fazem violência à lei.
5 De rechtvaardige HEERE is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; allen morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; doch de verkeerde weet van geen schaamte.
5 O Senhor é justo, no meio da cidade; ele não comete injustiça. Manhã após manhã, ele traz o seu juízo à luz; não falha. Mas o injusto não sabe o que é vergonha.
6 Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.
6 “Exterminei nações. As suas torres estão destruídas. Tornei desertas as suas praças, a ponto de não haver quem passe por elas. As suas cidades foram destruídas, de maneira que não há ninguém, ninguém que as habite.
7 Ik zeide: Immers zult gij Mij vrezen, gij zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.
7 Eu dizia: ‘Certamente você, Jerusalém, viverá em temor diante de mim e aceitará a disciplina, e, assim, a sua morada não seria destruída, segundo o que eu havia determinado.’ Mas eles se tornaram cada vez mais corruptos em todos os seus atos.”
8 Daarom verwacht Mij, spreekt de HEERE, ten dage als Ik Mij opmake tot den roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen Mijn gramschap, de ganse hittigheid Mijns toorns uit te storten, want dit ganse land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.
8 “Portanto, esperem por mim”, diz o “esperem pelo dia em que eu me levantar para tomar o despojo. Porque a minha resolução é ajuntar as nações e congregar os reinos, para fazer cair sobre eles a minha indignação e todo o furor da minha ira. Porque toda esta terra será consumida pelo fogo do meu zelo.”
9 Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen den Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder.
9 “Então darei lábios puros aos povos, para que todos invoquem o nome do e o sirvam de comum acordo.
10 Van de zijden der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden brengen.
10 Dalém dos rios da Etiópia, os meus adoradores, que constituem a filha da minha dispersão, me trarão sacrifícios.
11 Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmede gij tegen Mij overtreden hebt; want alsdan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hovaardij, en gij zult u voortaan niet meer verheffen om Mijns heiligen bergs wil.
11 Naquele dia, você não terá de se envergonhar de nenhuma das suas rebeliões contra mim, porque tirarei do meio de você, Jerusalém, os que exultam no seu orgulho, e você nunca mais se orgulhará no meu santo monte.
12 Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.
12 Mas deixarei no meio de você um povo modesto e humilde, que confia no nome do
13 De overgeblevenen van Israel zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.
13 O remanescente de Israel não cometerá injustiça. Eles não proferirão mentira, e da sua boca não sairão palavras enganosas, porque serão apascentados, se deitarão, e não haverá quem os atemorize.”
14 Zing vrolijk, gij dochter Sions, juich, Israel; wees blijde, en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems!
14 Cante, ó filha de Sião! Grite de alegria, ó Israel! Alegre-se e exulte de todo o coração, ó filha de Jerusalém.
15 De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israels, de HEERE, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien.
15 O Senhor retirou as sentenças que eram contra você e afastou os seus inimigos. O Rei de Israel, o está no meio de você; você não precisa mais temer nenhum mal.
16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.
16 Naquele dia, se dirá a Jerusalém: “Não tenha medo, ó Sião, não desfaleçam as suas mãos.”
17 De HEERE uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.
17 O Senhor , seu Deus, está no meio de você, poderoso para salvar. Ele ficará muito contente com você. Ele a renovará no seu amor, e se encherá de júbilo por causa de você.
18 De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar.
18 “Congregarei os que estão entristecidos por se acharem afastados das festas solenes, estes que são do seu meio e sobre os quais pesam afrontas.
19 Ziet, Ik zal te dien tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het ganse land, waar zij beschaamd zijn geweest.
19 Eis que, naquele tempo, agirei contra todos os que a afligem. Salvarei os que coxeiam e recolherei os que foram expulsos. Farei deles um louvor e um nome em toda a terra em que foram envergonhados.
20 Te dier tijd zal Ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal ulieden zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken der aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt de HEERE.
20 Naquele tempo, farei com que vocês voltem e os recolherei. Certamente farei de vocês um nome e um louvor entre todos os povos da terra, quando eu restaurar a sorte de vocês diante dos seus próprios olhos”, diz o

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Sofonias 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.