Números 32

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaezer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.
1 As tribos de Rúben e de Gade tinham gado em grande quantidade. Quando viram que a terra de Jazer e a terra de Gileade eram boas para a criação de gado,
2 Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleazar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:
2 foram falar com Moisés, com o sacerdote Eleazar e com as autoridades do povo. Eles disseram o seguinte:
3 Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
3 — ausente —
4 Dit land, hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israel geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.
4 — ausente —
5 Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan.
5 Se o senhor está contente com a gente, então nos dê essa terra para ser nossa propriedade e não nos faça ir para o outro lado do rio Jordão.
6 Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?
6 Porém Moisés disse às tribos de Gade e de Rúben: — Vocês querem ficar aqui enquanto os seus patrícios vão para a guerra?
7 Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israels breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de HEERE hun gegeven heeft?
7 Será que vocês querem desanimar o povo de Israel para que não entre na terra que o Senhor lhe está dando?
8 Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-Barnea zond, om dit land te bezien.
8 Os pais de vocês fizeram a mesma coisa quando os enviei de Cades-Barneia para espionar esta terra.
9 Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.
9 Eles chegaram até o vale de Escol e viram a terra; mas, quando voltaram, desanimaram o povo para que não entrasse na terra que o Senhor lhe estava dando.
10 Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:
10 — Então, naquele dia, o Senhor ficou muito irado e disse:
11 Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;
11 “Os homens que vieram do Egito, de vinte anos para cima, deixaram de ser fiéis a mim, e por isso juro que eles não verão a terra que prometi dar a Abraão, a Isaque e a Jacó.”
12 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.
12 Somente Calebe, filho de Jefoné, o quenezeu, e Josué, filho de Num, continuaram fiéis ao Senhor .
13 Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het ganse geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
13 O Senhor ficou irado com o povo de Israel e os fez andar pelo deserto quarenta anos, até que morresse toda a gente daquele tempo, isto é, o povo que havia desagradado a Deus, o Senhor .
14 En ziet, gijlieden zijt opgestaan in stede van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om de hittigheid van des HEEREN toorn tegen Israel te vermeerderen.
14 E agora vocês, raça de gente pecadora, estão tomando o lugar dos seus pais a fim de aumentar ainda mais a ira do Senhor contra o povo de Israel.
15 Wanneer gij van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.
15 Se vocês não quiserem segui-lo, ele abandonará novamente todo o povo no deserto, e eles serão destruídos por causa de vocês.
16 Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.
16 Mas a gente das tribos de Rúben e de Gade chegou perto de Moisés e disse: — Nós mesmos vamos construir aqui currais para as nossas ovelhas e vacas e também cidades para as nossas famílias.
17 Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners des lands.
17 Depois estaremos prontos para marchar para a guerra na frente dos nossos patrícios israelitas, até fazê-los tomar posse da terra que será deles. Porém as nossas famílias ficarão aqui nas cidades cercadas de muralhas e assim estarão a salvo dos moradores da terra.
18 Wij zullen niet wederkeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israels tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis.
18 Não voltaremos para as nossas casas até que todos os outros israelitas tomem posse da terra que será deles.
19 Want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van de Jordaan, en verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang.
19 Não tomaremos posse de nenhuma propriedade no meio deles no outro lado do rio Jordão, pois receberemos a nossa parte aqui, a leste do Jordão.
20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde,
20 Aí Moisés respondeu: — Se vocês vão fazer isso, então na presença de Deus, o
21 En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben.
21 E que todos os seus homens armados atravessem o rio Jordão debaixo das ordens do Senhor , até que os nossos inimigos sejam expulsos diante dele,
22 En het land voor het aangezicht des HEEREN ten ondergebracht zij; zo zult gij daarna wederkeren, en onschuldig zijn voor den HEERE en voor Israel, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des HEEREN.
22 e nós conquistemos a terra. Depois vocês poderão voltar porque já terão cumprido a sua obrigação para com Deus, o Senhor , e para com os seus patrícios israelitas. E o Senhor reconhecerá esta terra a leste do rio Jordão como propriedade de vocês.
23 Indien gij daarentegen alzo niet zult doen, ziet, zo hebt gij tegen den HEERE gezondigd; doch gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!
23 Porém, se vocês não cumprirem o que estão prometendo, estarão pecando contra o Senhor . E fiquem sabendo que vocês serão castigados por causa dos seus próprios pecados.
24 Bouwt uw steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is.
24 Construam as cidades para as suas famílias e façam currais para as suas ovelhas e vacas. E cumpram o que prometeram.
25 Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt.
25 Os homens de Gade e de Rúben disseram a Moisés o seguinte: — Nós faremos o que o senhor mandar.
26 Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead;
26 As nossas crianças, as nossas mulheres, as nossas ovelhas, as nossas cabras e todo o gado ficarão aqui nas cidades de Gileade.
27 Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.
27 Mas todos nós estamos prontos para a guerra. Conforme a sua ordem, atravessaremos o Jordão e batalharemos, debaixo do comando do Senhor Deus.
28 Toen gebood Mozes, hunnenthalve, den priester Eleazar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;
28 Então Moisés deu ordens a respeito dos homens das tribos de Rúben e de Gade ao sacerdote Eleazar, a Josué, filho de Num, e aos chefes das famílias das tribos dos israelitas.
29 En Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met ulieden over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht des HEEREN, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven.
29 Ele disse assim: — Debaixo do comando de Deus, o
30 Maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in het land Kanaan.
30 Porém, se eles não atravessarem armados o rio Jordão, junto com vocês, então deverão receber a parte deles na terra de Canaã.
31 En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat de HEERE tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij alzo doen.
31 Os homens de Gade e de Rúben responderam: — Senhor, nós faremos o que o
32 Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des HEEREN naar het land Kanaan; en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan.
32 Debaixo do comando dele atravessaremos o Jordão, armados, e lutaremos na terra de Canaã; e assim as terras deste lado do rio Jordão serão nossa propriedade.
33 Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en den halven stam van Manasse, den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.
33 Então Moisés deu às tribos de Gade e de Rúben e a uma metade da tribo de Manassés, filho de José, a região de Seom, o rei dos amorreus, e a região de Ogue, rei de Basã, junto com as cidades e as terras que havia em redor delas.
34 En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroer,
34 Os homens da tribo de Gade construíram de novo as cidades de Dibom, Atarote, Aroer,
35 En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,
35 Atarote-Sofã, Jazer, Jogbeá,
36 En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.
36 Bete-Ninra e Bete-Harã. Construíram muralhas ao redor delas e também currais.
37 En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim,
37 Os homens de Rúben construíram de novo Hesbom, Eleal, Quiriataim,
38 En Nebo, en Baal-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen der steden, die zij bouwden, met andere namen.
38 Nebo, Baal-Meom (alguns nomes foram mudados) e Sibma. E deram outros nomes às cidades que eles construíram de novo.
39 En de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.
39 O grupo de famílias de Maquir, filho de Manassés, foi para Gileade, e a conquistou, e expulsou os amorreus que estavam ali.
40 Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.
40 Portanto, Moisés deu Gileade ao grupo de famílias de Maquir, e eles moraram ali.
41 Jair nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jair.
41 Jair, descendente de Manassés, foi e conquistou alguns povoados dos amorreus e os chamou de “povoados de Jair”.
42 En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.
42 Noba foi e conquistou a cidade de Quenate e os seus povoados. E pôs o nome nela de Noba, que era o nome dele mesmo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Números 32, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.