Números 1

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinai, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:
1 No segundo ano depois da saída dos israelitas do Egito, no dia primeiro do segundo mês, o Senhor Deus falou com Moisés no deserto do Sinai, na Tenda Sagrada . Ele disse:
2 Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
2 — Você e Arão devem fazer a contagem do povo de Israel por grupos de famílias e por famílias.
3 Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.
3 Façam a lista de todos os homens de vinte anos para cima, isto é, todos os que já têm idade para o serviço militar.
4 En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman is over het huis zijner vaderen.
4 Vocês chamarão um chefe de grupo de famílias de cada tribo para ajudá-los. São estes os nomes dos homens que vão ajudar vocês: Esses foram os chefes de tribo escolhidos no meio do povo de Israel para representar os seus grupos de famílias.
5 Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.
5 — ausente —
6 Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
6 — ausente —
7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
7 — ausente —
8 Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
8 — ausente —
9 Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
9 — ausente —
10 Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
10 — ausente —
11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
11 — ausente —
12 Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
12 — ausente —
13 Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.
13 — ausente —
14 Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.
14 — ausente —
15 Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
15 — ausente —
16 Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.
16 — ausente —
17 Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.
17 — ausente —
18 En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.
18 — ausente —
19 Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinai.
19 Assim, a contagem no deserto do Sinai foi feita como o Senhor havia ordenado a Moisés. Os homens de vinte anos para cima, que tinham idade para o serviço militar, foram registrados pelo seu nome, cada um no seu grupo de famílias e na sua família. Começaram pela tribo de Rúben, o filho mais velho de Jacó. A soma total das tribos foi a seguinte: Da tribo de Rúben, quarenta e seis mil e quinhentos homens.
20 Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;
20 — ausente —
21 Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
21 — ausente —
22 Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;
22 — ausente —
23 Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
23 — ausente —
24 Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.
24 — ausente —
25 Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
25 — ausente —
26 Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
26 — ausente —
27 Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
27 — ausente —
28 Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
28 — ausente —
29 Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
29 — ausente —
30 Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
30 — ausente —
31 Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
31 — ausente —
32 Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
32 — ausente —
33 Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
33 — ausente —
34 Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
34 — ausente —
35 Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
35 — ausente —
36 Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
36 — ausente —
37 Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
37 — ausente —
38 Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
38 — ausente —
39 Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
39 — ausente —
40 Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
40 — ausente —
41 Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.
41 — ausente —
42 Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
42 — ausente —
43 Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
43 — ausente —
44 Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.
44 — ausente —
45 Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,
45 — ausente —
46 Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
46 — ausente —
47 Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.
47 Mas os levitas não foram registrados com as outras tribos ,
48 Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:
48 pois o Senhor tinha dito a Moisés o seguinte:
49 Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israel.
49 — Quando você fizer a contagem dos homens com idade para o serviço militar, deixe de fora os homens da tribo de Levi.
50 Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.
50 Mas ponha os levitas para cuidarem da Tenda Sagrada e de todos os seus móveis e objetos. Eles carregarão a Tenda e todo o seu equipamento, farão ali o serviço religioso e acamparão ao redor dela.
51 En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.
51 Quando a Tenda tiver de ser transportada, os levitas a desarmarão e, quando for preciso acampar de novo, eles a armarão outra vez. Quem não for levita e chegar perto da Tenda deverá ser morto.
52 En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.
52 Os outros israelitas ficarão cada um no seu próprio acampamento, perto da sua própria bandeira, de acordo com o seu grupo.
53 Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.
53 Mas os levitas acamparão ao redor da Tenda para guardá-la a fim de que ninguém chegue perto, e assim eu não fique irado com o povo de Israel.
54 Zo deden de kinderen Israels; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.
54 E o povo fez tudo como o Senhor havia ordenado a Moisés.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Números 1, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.