Neemias 9

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Voorts op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israels met vasten en met zakken, en aarde was op hen.
1 — ausente —
2 En het zaad Israels scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.
2 — ausente —
3 Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN, huns Gods, een vierendeel van den dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den HEERE, hun God.
3 Durante mais ou menos três horas, a Lei do Senhor , seu Deus, foi lida para eles. E nas três horas seguintes eles confessaram os seus pecados e adoraram o Senhor .
4 Jesua nu, en Bani, Kadmiel, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani, stonden op het hoge gestoelte der Levieten, en riepen met luider stem tot den HEERE, hun God;
4 Jesua, Bani, Cadmiel, Sebanias, Buni, Serebias, Bani e Quenani ficaram de pé no estrado dos levitas e oraram em voz alta ao Senhor , seu Deus.
5 En de Levieten, Jesua, en Kadmiel, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs!
5 Os levitas Jesua, Cadmiel, Bani, Hasabneias, Serebias, Hodias, Sebanias e Petaías chamaram o povo para adorar a Deus. Eles disseram: “Levantem-se e louvem o Louvem a Deus sempre e sempre! Que todos louvem o seu embora nenhum louvor humano seja suficiente!”
6 Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeen en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.
6 Aí o povo de Israel fez esta oração: “Ó Deus, só tu és o Tu fizeste os céus e as estrelas. Tu fizeste a terra, o mar e tudo o que há neles; tu conservas a todos com vida. Os seres celestiais ajoelham-se e te adoram.
7 Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeen uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.
7 “Tu, ó Senhor Deus, escolheste Abrão e o tiraste de Ur, na Babilônia; tu mudaste o seu nome para Abraão.
8 En Gij hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat Gij zoudt geven het land der Kanaanieten, der Hethieten, der Amorieten, en der Ferezieten, en der Jebusieten, en der Girgasieten, dat Gij het zijn zade zoudt geven; en Gij hebt Uw woorden bevestigd, omdat Gij rechtvaardig zijt.
8 Viste que ele era fiel a ti e fizeste uma Prometeste dar a Abraão a terra dos cananeus, a terra dos heteus e dos amorreus, a terra dos perizeus, dos jebuseus e dos girgaseus, para ser a terra onde os seus descendentes viveriam. Tu cumpriste a tua promessa porque és fiel.
9 En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;
9 “Tu viste como os nossos antepassados sofreram no Egito; ouviste quando eles pediram socorro na beira do mar Vermelho.
10 En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.
10 Tu fizeste milagres maravilhosos contra o rei do Egito, contra os seus oficiais e o povo da sua terra, pois sabias como eles fizeram o teu povo sofrer. Foi assim que ganhaste a fama que tens até hoje.
11 En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.
11 Tu dividiste o mar diante dos nossos antepassados, e assim eles atravessaram em terra seca. Fizeste com que aqueles que os perseguiam se afogassem em águas profundas, como uma pedra que afunda no mar violento.
12 En Gij hebt ze des daags geleid met een wolkkolom, en des nachts met een vuurkolom, om hen te lichten op den weg, waarin zij zouden wandelen.
12 Tu os guiaste com uma nuvem durante o dia e de noite com uma coluna de fogo, para iluminar o caminho por onde deviam ir.
13 En Gij zijt neergedaald op den berg Sinai, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en Gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten, en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden.
13 Tu desceste do céu no monte Sinai, falaste com o teu povo e lhe deste boas
14 En Gij hebt Uw heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes.
14 Tu lhes disseste que santificassem o sábado e lhes deste as tuas leis por meio do teu
15 En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.
15 Tu lhes deste pão do céu quando estavam com fome e água da rocha quando estavam com sede. Tu mandaste que tomassem posse da terra que havias jurado dar a eles.
16 Maar zij en onze vaders hebben trotselijk gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden;
16 “Mas os nossos antepassados se tornaram orgulhosos e teimosos e não quiseram obedecer aos teus mandamentos.
17 En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die Gij bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun wederspannigheid een hoofd gesteld, om weder te keren tot hun dienstbaarheid. Doch Gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten.
17 Eles se recusaram a obedecer. Esqueceram tudo o que fizeste; esqueceram os milagres que havias feito. Em seu orgulho, eles escolheram um chefe que os levaria de volta ao Egito para serem escravos de novo. Mas tu és Deus que perdoa; tu és bondoso e amoroso e demoras a ficar A tua misericórdia é grande, e por isso não os abandonaste.
18 Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden;
18 Eles fizeram um touro de metal fundido e disseram que ele era o deus que os havia tirado do Egito. Ó Deus, como eles te insultaram!
19 Hebt Gij hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen des daags, om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen.
19 Mas tu não os abandonaste no deserto, pois a tua misericórdia é grande. Não retiraste nem a nuvem nem o fogo que de dia e de noite mostravam a eles o caminho.
20 En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.
20 Tu lhes deste o teu bom Espírito para lhes ensinar o que deviam fazer; tu os alimentaste com o e lhes deste água para matar a sede.
21 Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.
21 Durante quarenta anos no deserto, tu os sustentaste, e nada lhes faltou. As suas roupas não se estragaram, e os seus pés não ficaram inchados.
22 Voorts hebt Gij hun koninkrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in hoeken. Alzo hebben zij erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten, het land des konings van Hesbon, en het land van Og, koning van Basan.
22 “Tu lhes deste nações e reinos e terras dos povos vizinhos. Os israelitas conquistaram a terra de Hesbom, que era governada por Seom, e a terra de Basã, onde Ogue era o rei.
23 Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren des hemels; en Gij hebt hen gebracht in het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.
23 Tu lhes deste tantos descendentes como as estrelas do céu e os trouxeste para viver na terra que havias prometido aos seus antepassados.
24 Alzo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en Gij hebt de inwoners des lands, de Kanaanieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, mitsgaders hun koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen.
24 Eles conquistaram a terra de Canaã; tu derrotaste o povo que morava ali. Deste ao teu povo o poder de fazer o que quisesse com os povos e os reis de Canaã.
25 En zij hebben vaste steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen, vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen van spijze, in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn zat en vet geworden, en hebben in wellust geleefd, door Uw grote goedigheid.
25 O teu povo conquistou cidades cercadas de muralhas e tomou terras boas, casas cheias de riquezas, cisternas já escavadas, oliveiras, árvores frutíferas e plantações de uvas. Eles comeram tudo o que quiseram e engordaram; eles aproveitaram todas as boas coisas que lhes deste.
26 Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.
26 “Mas o teu povo se revoltou e te desobedeceu; eles viraram as costas para a tua Lei. Mataram os teus e lhes disseram que voltassem para ti. O teu povo te insultou muitas vezes.
27 Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand hunner benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand hunner benauwers verlosten.
27 Então deixaste que os inimigos deles os conquistassem e os governassem. Mas no meio da sua aflição eles te pediram socorro, e tu respondeste lá dos céus. Na tua grande misericórdia, tu lhes enviaste líderes que os livraram dos seus inimigos.
28 Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.
28 Quando voltou a paz, o teu povo pecou de novo, e outra vez deixaste que os inimigos deles os conquistassem. E de novo, quando eles se arrependeram e pediram que os salvasses, tu ouviste no céu e, vez após vez, tu os livraste por causa da tua grande misericórdia.
29 En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord.
29 Tu os avisaste que deviam obedecer aos teus ensinos; mas no seu orgulho eles rejeitaram os teus mandamentos, pecaram contra a tua lei, embora cumprir a tua lei seja o caminho para a vida. Rebeldes e teimosos, eles se recusaram a obedecer.
30 Doch Gij vertoogt het vele jaren over hen, en betuigdet tegen hen door Uw Geest, door den dient Uwer profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt Gij hen gegeven in de hand van de volken der landen.
30 Ano após ano tu os avisaste, com paciência. Pelo teu Espírito, por meio dos profetas, falaste contra eles, mas o teu povo ficou surdo. Por isso, deixaste que fossem dominados por outras nações.
31 Doch door Uw grote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield, noch hen verlaten; want Gij zijt een genadig en barmhartig God.
31 E, mais uma vez, porque a tua misericórdia é grande, tu não os abandonaste, nem os destruíste. Tu és Deus misericordioso e bondoso!
32 Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.
32 “Ó Deus, nosso Deus, como és grande! Como és terrível e poderoso! Tu guardas fielmente as promessas da aliança. Desde o tempo em que os assírios nos dominaram, como temos sofrido! Os nossos reis, as nossas autoridades, os nossos sacerdotes e profetas, os nossos antepassados e todo o nosso povo — todos nós temos sofrido! Lembra das nossas aflições!
33 Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.
33 Tu foste justo em nos castigar; tu tens sido fiel, mesmo quando temos pecado.
34 En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet.
34 Os nossos antepassados, os nossos reis, as nossas autoridades e sacerdotes não têm cumprido a tua lei, não têm obedecido aos teus mandamentos e avisos.
35 Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.
35 Com a tua bênção, reis governaram o teu povo, que estava vivendo na terra grande e boa que lhes deste; mas eles não te adoraram, nem se arrependeram das suas más ações.
36 Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.
36 E agora nós somos escravos na terra que nos deste, esta terra boa que nos alimenta.
37 En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.
37 Aquilo que a terra produz vai para os reis que puseste para nos fazer sofrer por causa dos nossos pecados. Eles fazem o que querem conosco e com o nosso gado, e nós estamos profundamente aflitos.”
38 En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesteren zullen het verzegelen.
38 Por causa de tudo isso, nós, o povo de Israel, estamos fazendo por escrito um acordo solene. E as nossas autoridades, os nossos levitas e os nossos sacerdotes vão assiná-lo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Neemias 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.