Neemias 13

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Te dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren des volks; en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de gemeente Gods, tot in eeuwigheid;
1 Naquele dia, o Livro de Moisés foi lido para o povo, e nele achou-se escrito que os amonitas e os moabitas não deveriam jamais entrar na congregação de Deus,
2 Omdat zij den kinderen Israels niet waren tegengekomen met brood en met water, ja, Bileam tegen hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel onze God den vloek omkeerde in een zegen.
2 porque não tinham ido ao encontro dos filhos de Israel com pão e água. Em vez disso, contrataram Balaão para os amaldiçoar. Mas o nosso Deus transformou a maldição em bênção.
3 Zo geschiedde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israel afscheidden.
3 Quando os israelitas ouviram esta lei, afastaram de Israel todos os estrangeiros.
4 Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was voor dezen nabestaande van Tobia geworden.
4 Antes disto, o sacerdote Eliasibe, encarregado dos depósitos do templo do nosso Deus, parente de Tobias,
5 En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortiers, mitsgaders het hefoffer der priesteren.
5 havia cedido para este uma grande sala. Anteriormente, era ali que se depositavam as ofertas de cereais, o incenso, os utensílios e os dízimos dos cereais, do vinho e do azeite, que eram destinados aos levitas, cantores e porteiros, bem como as contribuições para os sacerdotes.
6 Doch in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot den koning; maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning.
6 Mas, quando isso aconteceu, eu não estava em Jerusalém, porque no trigésimo segundo ano de Artaxerxes, rei da Babilônia, eu tinha voltado para junto do rei. Mas, depois de certo tempo, pedi licença ao rei e voltei para Jerusalém.
7 En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hem een kamer in de voorhoven van Gods huis.
7 Então soube do mal que Eliasibe havia feito para beneficiar Tobias, cedendo-lhe uma sala nos pátios da Casa de Deus.
8 En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten, uit de kamer.
8 Isso me deixou tão irritado, que atirei todos os móveis de Tobias para fora da sala.
9 Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden de kameren; en ik bracht daar weder in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook.
9 Então ordenei que purificassem as salas, e coloquei ali outra vez os utensílios da Casa de Deus, com as ofertas de cereais e o incenso.
10 Ook vernam ik, dat der Levieten deel hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het werk deden, gevloden waren, een iegelijk naar zijn akker.
10 Também soube que as porções dos levitas não estavam sendo dadas a eles, de maneira que os levitas e os cantores, que faziam o serviço, tinham fugido cada um para o seu campo.
11 En ik twistte met de overheden, en zeide: Waarom is het huis Gods verlaten? Doch ik vergaderde hen, en herstelde ze in hun stand.
11 Então repreendi os magistrados e perguntei: — Por que a Casa de Deus ficou abandonada? Reuni os levitas e os cantores e os restituí aos seus postos.
12 Toen bracht gans Juda de tienden van het koren, en van den most, en van de olie, in de schatten.
12 Então todo o Judá trouxe os dízimos dos cereais, do vinho e do azeite aos depósitos.
13 En ik stelde tot schatmeesters over de schatten, Selemja, den priester, en Zadok, den schrijver, en Pedaja, uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Matthanja; want zij werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broederen uit te delen.
13 Por tesoureiros dos depósitos pus Selemias, o sacerdote, Zadoque, o escrivão, e um levita chamado Pedaías. Como assistente deles pus Hanã, filho de Zacur, filho de Matanias. Estes homens foram achados fiéis e ficaram encarregados de distribuir as porções entre os seus irmãos.
14 Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan Zijn wachten gedaan heb.
14 “Lembra-te de mim, ó meu Deus, e não apagues o bem que eu fiz ao templo de meu Deus e ao seu serviço.”
15 In dezelfde dagen zag ik in Juda, die persen traden op den sabbat, en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik betuigde tegen hen ten dage, als zij eetwaren verkochten.
15 Naqueles dias, vi que em Judá havia homens que no sábado pisavam uvas nos lagares e traziam trigo que carregavam sobre jumentos. Também no dia de sábado traziam para Jerusalém vinho, uvas e figos e todo tipo de cargas. Protestei contra eles por venderem alimentos neste dia.
16 Daar waren ook Tyriers binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem.
16 Também moravam em Jerusalém homens de Tiro que traziam peixes e todo tipo de mercadorias, que no sábado vendiam aos filhos de Judá e em Jerusalém.
17 Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag?
17 Repreendi os nobres de Judá e lhes disse: — Que coisa errada é esta que vocês estão fazendo? Estão profanando o dia de sábado!
18 Deden niet uw vaders alzo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt de hittige gramschap nog meer over Israel, ontheiligende den sabbat.
18 Por acaso os pais de vocês não fizeram o mesmo, levando o nosso Deus a trazer todo este mal sobre nós e sobre esta cidade? E vocês ainda estão trazendo ira maior sobre Israel, profanando o sábado.
19 Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag.
19 Quando os portões de Jerusalém começavam a projetar a sua sombra antes do sábado, ordenei que fossem fechados. E determinei que não fossem abertos, a não ser depois do sábado. Coloquei alguns dos meus servos junto aos portões, para que nenhuma carga entrasse no dia de sábado.
20 Toen vernachtten de kramers, en de verkopers van alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal.
20 Então os negociantes e os vendedores de todo tipo de mercadorias pernoitaram fora de Jerusalém, uma ou duas vezes.
21 Zo betuigde ik tegen hen, en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat.
21 Eu os repreendi e lhes disse: — Por que estão passando a noite diante da muralha? Se fizerem isso outra vez, eu usarei a força. Daí em diante não voltaram mais no sábado.
22 Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid.
22 Também mandei aos levitas que se purificassem e viessem guardar os portões, para santificar o dia de sábado. “Também nisto, lembra-te de mim, ó meu Deus. Tem piedade de mim por tua grande misericórdia.”
23 Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.
23 Vi também, naqueles dias, que judeus haviam casado com mulheres asdoditas, amonitas e moabitas.
24 En hun kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joods spreken, maar naar de taal eens iegelijken volks.
24 E seus filhos falavam metade das palavras na língua de Asdode ou na língua de seu respectivo povo, mas não sabiam falar a língua dos judeus.
25 Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uw dochteren hun zonen zult geven, en indien gij van hun dochteren voor uw zonen of voor u zult nemen!
25 Eu os repreendi e os amaldiçoei; espanquei alguns deles e arranquei os seus cabelos. E os fiz jurar em nome de Deus, dizendo: — Não deem mais as suas filhas em casamento aos filhos deles, nem escolham mais as filhas deles para os seus filhos ou para vocês mesmos.
26 Heeft niet Salomo, de koning van Israel, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israel gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.
26 Não foi por causa disto que Salomão, rei de Israel, pecou? Entre muitas nações não havia rei semelhante a ele. Era amado por seu Deus, e Deus o colocou como rei sobre todo o Israel. Mas as mulheres estrangeiras o fizeram cair no pecado.
27 Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?
27 Será que devemos dar ouvidos a vocês, para fazermos todo este grande mal, sendo infiéis ao nosso Deus, casando com mulheres estrangeiras?
28 Ook was er een van de kinderen van Jojada, den zoon van Eljasib, den hogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, den Horoniet; daarom jaagde ik hem van mij weg.
28 Um dos filhos de Joiada, filho do sumo sacerdote Eliasibe, era genro de Sambalate, o horonita. Por isso, eu o expulsei da minha presença.
29 Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het priesterdom hebben verontreinigd, ja, het verbond des priesterdoms en der Levieten.
29 “Lembra-te deles, ó meu Deus, pois contaminaram o sacerdócio e a aliança sacerdotal e levítica.”
30 Alzo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik bestelde de wachten der priesteren en der Levieten, elk op zijn werk;
30 Assim, eu os purifiquei de tudo o que era estrangeiro e organizei o serviço dos sacerdotes e dos levitas, cada um na sua função.
31 Ook tot het offer des houts, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God, ten goede.
31 Organizei também o fornecimento de lenha em tempos determinados, bem como das primícias. “Lembra-te de mim, ó meu Deus, para o meu bem.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Neemias 13, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.