Mateus 22

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:
1 De novo Jesus usou parábolas para falar ao povo. Ele disse:
2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had;
2 — O
3 En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.
3 Depois mandou os empregados chamarem os convidados, mas eles não quiseram vir.
4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.
4 Então mandou outros empregados com o seguinte recado: “Digam aos convidados que tudo está preparado para a festa. Já matei os bezerros e os bois gordos, e tudo está pronto. Que venham à festa!”
5 Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.
5 — Mas os convidados não se importaram com o convite e foram tratar dos seus negócios: um foi para a sua fazenda, e outro, para o seu armazém.
6 En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.
6 Outros agarraram os empregados, bateram neles e os mataram.
7 Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.
7 O rei ficou com tanta raiva, que mandou matar aqueles assassinos e queimar a cidade deles.
8 Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig.
8 Depois chamou os seus empregados e disse: “A minha festa de casamento está pronta, mas os convidados não a mereciam.
9 Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.
9 Agora vão pelas ruas e convidem todas as pessoas que vocês encontrarem.”
10 En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.
10 — Então os empregados saíram pelas ruas e reuniram todos os que puderam encontrar, tanto bons como maus. E o salão de festas ficou cheio de gente.
11 En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;
11 Quando o rei entrou para ver os convidados, notou um homem que não estava usando roupas de festa
12 En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.
12 e perguntou: “Amigo, como é que você entrou aqui sem roupas de festa?”
13 Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
13 Então o rei disse aos empregados: “Amarrem os pés e as mãos deste homem e o joguem fora, na escuridão. Ali ele vai chorar e ranger os dentes de desespero.”
14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
14 E Jesus terminou, dizendo:
15 Toen gingen de Farizeen heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede.
15 Os fariseus saíram e fizeram um plano para conseguir alguma prova contra Jesus.
16 En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en de weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan;
16 Então mandaram que alguns dos seus seguidores e alguns membros do partido de Herodes fossem dizer a Jesus: — Mestre, sabemos que o senhor é honesto, ensina a verdade sobre a maneira de viver que Deus exige e não se importa com a opinião dos outros, nem julga pela aparência.
17 Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?
17 Então o que o senhor acha: é ou não é contra a nossa Lei pagar impostos ao Imperador romano?
18 Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zeide:
18 Mas Jesus percebeu a malícia deles e respondeu:
19 Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning.
19 Tragam a moeda com que se paga o imposto! Trouxeram a moeda,
20 En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?
20 e ele perguntou:
21 Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.
21 Eles responderam: — São do Imperador. Então Jesus disse:
22 En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.
22 Eles ficaram admirados quando ouviram isso. Então deixaram Jesus e foram embora.
23 Te dienzelfden dage kwamen tot Hem de Sadduceen, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,
23 Naquele mesmo dia chegaram perto de Jesus alguns saduceus , afirmando que ninguém ressuscita.
24 Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijn broeder zaad verwekken.
24 Eles disseram a Jesus: — Mestre, Moisés ensinou assim: “Se um homem morrer e deixar a esposa sem filhos, o irmão dele deve casar com a viúva, para terem filhos, que serão considerados filhos do irmão que morreu.”
25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.
25 Acontece que havia entre nós sete irmãos. O mais velho casou e morreu sem deixar filhos. Assim, ele deixou a viúva para o segundo irmão.
26 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot de zevende toe.
26 A mesma coisa aconteceu com este, e também com o terceiro, e, finalmente, com todos os sete.
27 Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven.
27 Depois de todos eles, a mulher também morreu.
28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad?
28 Portanto, no dia da ressurreição, de qual dos sete a mulher vai ser esposa? Pois todos eles casaram com ela!
29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.
29 Jesus respondeu:
30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel.
30 Pois, quando os mortos ressuscitarem, serão como os anjos do céu, e ninguém casará.
31 En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen, hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt:
31 E, quanto à ressurreição dos mortos, será que vocês nunca leram o que Deus disse? Ele afirmou:
32 Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs! God is niet een God der doden, maar der levenden.
32 “Eu sou o Deus de Abraão, o Deus de Isaque e o Deus de Jacó.” E Deus não é Deus dos mortos e sim dos vivos.
33 En de scharen, dit horende, werden verslagen over Zijn leer.
33 Quando a multidão ouviu isso, ficou admirada com o ensinamento dele.
34 En de Farizeen, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceen den mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd.
34 Os fariseus se reuniram quando souberam que Jesus tinha feito os saduceus calarem a boca.
35 En een uit hen, zijnde een Wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende:
35 E um deles, que era mestre da Lei , querendo conseguir alguma prova contra Jesus, perguntou:
36 Meester! welk is het grote gebod in de wet?
36 — Mestre, qual é o mais importante de todos os mandamentos da Lei ?
37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.
37 Jesus respondeu:
38 Dit is het eerste en het grote gebod.
38 Este é o maior mandamento e o mais importante.
39 En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
39 E o segundo mais importante é parecido com o primeiro: “Ame os outros como você ama a você mesmo.”
40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.
40 Toda a Lei de Moisés e os ensinamentos dos
41 Als nu de Farizeen samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus,
41 Quando os fariseus estavam reunidos, Jesus perguntou a eles:
42 En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.
42 — O que vocês pensam sobre o — De Davi! — responderam eles.
43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in de Geest, zijn Heere? zeggende:
43 Jesus tornou a perguntar:
44 De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
44 “O Senhor Deus disse ao meu Senhor:
45 Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?
45 Portanto, se Davi chama o Messias de Senhor, como é que o Messias pode ser descendente de Davi?
46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.
46 Ninguém podia responder mais nada, e daquele dia em diante não tiveram coragem de lhe fazer mais perguntas.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.