Levítico 6

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1 O Senhor falou a Moisés, dizendo:
2 Als een mens gezondigd, en tegen den HEERE door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt;
2 — Se uma pessoa pecar e cometer ofensa contra o Senhor , negando ao seu próximo o que este lhe deu em depósito, ou como penhor; ou se roubar, ou tiver usado de extorsão para com o seu próximo;
3 Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende.
3 ou se, tendo achado um objeto perdido, negar com falso juramento que o achou, ou fizer alguma outra coisa de todas em que se costuma pecar,
4 Het zal dan geschieden, dewijl hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal den roof, dien hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft;
4 será, pois, que, tendo pecado e ficado culpada, essa pessoa restituirá aquilo que roubou, ou que extorquiu, ou o depósito que lhe foi dado, ou o perdido que achou,
5 Of van al, waarover hij valselijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld.
5 ou tudo aquilo sobre que jurou falsamente. Restituirá por inteiro e a isso ainda acrescentará a quinta parte. Entregará isso àquele a quem pertence no dia em que trouxer a oferta pela culpa.
6 En hij zal den HEERE zijn schuldoffer brengen tot den priester, een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting, ten schuldoffer.
6 E, por sua oferta pela culpa, trará, do rebanho, ao Senhor um carneiro sem defeito, devidamente avaliado, para a oferta pela culpa; trará o carneiro ao sacerdote.
7 Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.
7 E o sacerdote fará expiação por essa pessoa diante do Senhor , e ela será perdoada de qualquer dessas coisas que fez e que a tornou culpada.
8 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
8 O Senhor disse a Moisés:
9 Gebied Aaron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des brandoffers; het is hetgeen, wat door de branding op het altaar den gansen nacht tot aan den morgen opvaart; alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden.
9 — Ordene a Arão e a seus filhos, dizendo: Esta é a lei a respeito do holocausto: o holocausto ficará sobre as brasas do altar toda a noite até pela manhã, e o fogo do altar nunca poderá ser apagado.
10 En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.
10 O sacerdote vestirá a sua túnica de linho e os calções de linho sobre a pele nua, e levantará a cinza, quando o fogo houver consumido o holocausto sobre o altar, e a colocará ao lado do altar.
11 Daarna zal hij zijn klederen uittrekken, en zal andere klederen aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats.
11 Depois, despirá as suas vestes e porá outras roupas; e levará a cinza para fora do arraial a um lugar puro.
12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elken morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet der dankofferen daarop aansteken.
12 — O fogo sempre ficará aceso sobre o altar; não deve ser apagado. O sacerdote acenderá lenha no altar cada manhã, e sobre ele porá em ordem o holocausto, e sobre ele queimará a gordura das ofertas pacíficas.
13 Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.
13 O fogo queimará continuamente sobre o altar; não deve ser apagado.
14 Dit is nu de wet des spijsoffers; een der zonen van Aaron zal dat voor het aangezicht des HEEREN offeren, voor aan het altaar.
14 — Esta é a lei a respeito da oferta de cereais: os filhos de Arão a oferecerão diante do Senhor , diante do altar.
15 En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie, en al den wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot deszelfs gedachtenis voor den HEERE.
15 Um dos sacerdotes pegará um punhado da melhor farinha da oferta de cereais com seu azeite e todo o incenso que está sobre a oferta de cereais e o queimará sobre o altar, como porção memorial de aroma agradável ao Senhor .
16 En het overblijvende daarvan zullen Aaron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in den voorhof van de tent der samenkomst zullen zij dat eten.
16 O restante da oferta Arão e seus filhos comerão. Deve ser comido sem fermento, em lugar santo; no pátio da tenda do encontro, o comerão.
17 Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer.
17 Isso não poderá ser preparado com fermento; é a porção das minhas ofertas queimadas que dei aos sacerdotes; coisa santíssima é, como a oferta pelo pecado e a oferta pela culpa.
18 Al wat mannelijk is onder de zonen van Aaron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten van de vuurofferen des HEEREN; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn.
18 Todos os homens que são descendentes de Arão podem comer da oferta de cereais; estatuto perpétuo será para as gerações de vocês dentre as ofertas queimadas do Senhor ; tudo o que tocar nelas será santo.
19 Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
19 O Senhor disse a Moisés:
20 Dit is de offerande van Aaron en van zijn zonen, die zij den HEERE offeren zullen, ten dage als hij zal gezalfd worden: het tiende deel ener efa meelbloem, een spijsoffer gedurig; de helft daarvan op den morgen, en de helft daarvan op den avond.
20 — Esta é a oferta de Arão e de seus filhos, que oferecerão ao Senhor no dia em que aquele for ungido: dois litros da melhor farinha pela oferta contínua de cereais; metade dela será oferecida pela manhã, e a outra metade, à tarde.
21 Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroost zult gij het brengen; en de gebakken stukken des spijsoffers zult gij offeren, tot een liefelijken reuk den HEERE.
21 Será feita numa assadeira, com azeite; traga-a bem amassada. Em pedaços cozidos você trará a oferta de cereais de aroma agradável ao Senhor .
22 Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor den HEERE geheel aangestoken worden.
22 Também o sacerdote, que entre os filhos de Arão for ungido em seu lugar, fará o mesmo; por estatuto perpétuo será de todo queimada ao Senhor .
23 Alzo zal alle spijsoffer des priesters ganselijk zijn; het zal niet gegeten worden.
23 Assim, toda a oferta de cereais trazida por um sacerdote será totalmente queimada; não poderá ser comida.
24 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
24 O Senhor disse a Moisés:
25 Spreek tot Aaron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des zondoffers: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des HEEREN geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden.
25 — Fale a Arão e a seus filhos, dizendo: Esta é a lei a respeito da oferta pelo pecado: o animal que é oferta pelo pecado será morto no lugar onde são mortos os animais oferecidos em holocausto, diante do Senhor ; coisa santíssima é.
26 De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in den voorhof van de tent der samenkomst.
26 O sacerdote que a oferecer pelo pecado a comerá; no lugar santo se comerá, no pátio da tenda do encontro.
27 Al wat deszelfs vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.
27 Tudo o que tocar a carne da oferta será santo; se alguém aspergir desse sangue sobre a sua roupa, você terá de lavar aquilo sobre que o sangue caiu, no lugar santo.
28 En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.
28 E o vaso de barro em que a carne for cozida será quebrado; porém, se for cozida num vaso de bronze, o vaso deverá ser esfregado e lavado com água.
29 Al wat mannelijk is onder de priesteren, zal dat eten; het is een heiligheid der heiligheden.
29 Somente os homens da linhagem sacerdotal poderão comer dessa carne; coisa santíssima é.
30 Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent der samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.
30 Porém não se comerá nenhuma oferta pelo pecado, cujo sangue se traz à tenda do encontro, para fazer expiação no santuário; essa terá de ser queimada no fogo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Levítico 6, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.