Levítico 19

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1 O Senhor Deus mandou Moisés
2 Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israels, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!
2 dizer ao povo de Israel o seguinte: — Sejam santos , pois eu, o
3 Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!
3 Cada um respeite a sua mãe e o seu pai, e todos guardem o sábado. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
4 Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!
4 — Não adorem ídolos, nem façam deuses de metal. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
5 En wanneer gij een dankoffer den HEERE offeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren.
5 — Quando matarem um animal para uma oferta de paz, façam como eu mandei, e assim eu aceitarei a oferta.
6 Op den dag van uw offeren, en des anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden.
6 A carne deverá ser comida no dia em que o animal for morto ou então no dia seguinte. Mas, se sobrar carne para o terceiro dia, ela deverá ser queimada,
7 En zo het op den derden dag enigzins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn.
7 pois ficou impura . Se alguém comer a carne nesse dia, eu não aceitarei a oferta,
8 En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des HEEREN ontheiligd heeft; daarom zal dezelve ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.
8 e a pessoa que comeu deverá ser castigada, pois profanou aquilo que para mim é sagrado. Essa pessoa será expulsa do meio do povo de Israel.
9 Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen.
9 — Quando fizerem a colheita do trigo, não colham as espigas dos pés que ficam na beira do campo, nem voltem atrás para pegar as espigas que não tiverem sido colhidas.
10 Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!
10 E não façam uma segunda colheita nas plantações de uvas, para colher os cachos que ficaram, nem voltem atrás para catar os cachos que tiverem caído no chão. Deixem isso para os pobres e para os estrangeiros. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
11 Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valselijk handelen, een iegelijk tegen zijn naaste.
11 — Não roube, não minta e não engane os outros.
12 Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.
12 Não faça juramentos falsos em meu nome, pois isso é profanar o meu nome. Eu sou o Senhor .
13 Gij zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; des dagloners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen.
13 — Não explore, nem roube os outros. Não segure até o dia seguinte o pagamento do trabalhador diarista.
14 Gij zult den dove niet vloeken, en voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten; maar gij zult voor uw God vrezen; Ik ben de HEERE!
14 Não amaldiçoe um surdo, nem ponha na frente de um cego alguma coisa que o faça tropeçar. Tenha respeito para comigo, o seu Deus. Eu sou o Senhor .
15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
15 — Quando julgar alguma causa, não seja injusto; não favoreça os humildes, nem procure agradar os poderosos. Julgue todas as causas com justiça.
16 Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de HEERE!
16 Não ande espalhando mentiras no meio do povo, nem faça uma acusação falsa que possa causar a morte de alguém. Eu sou o Senhor .
17 Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.
17 — Não guarde ódio no coração contra outro israelita, mas corrija-o com franqueza para que você não acabe cometendo um pecado por causa dele.
18 Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!
18 Não se vingue, nem guarde ódio de alguém do seu povo, mas ame os outros como você ama a você mesmo. Eu sou o Senhor .
19 Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeerlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeerlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeerlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
19 — Obedeçam às minhas leis . Não cruzem animais domésticos de espécies diferentes. Não semeiem tipos diferentes de semente no mesmo campo. Não vistam roupas feitas de tipos diferentes de tecidos.
20 En wanneer een man, door bijligging des zaads, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij den man versmaad, en geenszins gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.
20 — Se um homem tiver relações com uma escrava que já foi prometida para ser a concubina de outro homem, mas que ainda não foi comprada, nem posta em liberdade, o homem e a escrava serão castigados, mas não serão mortos, pois ela ainda não estava em liberdade.
21 En hij zal zijn schuldoffer den HEERE aan de deur van de tent der samenkomst brengen, een ram ten schuldoffer.
21 Nesse caso, para tirar a sua culpa, o homem deverá apresentar como oferta a Deus, o Senhor , um carneiro, que ele levará até a entrada da Tenda Sagrada .
22 En de priester zal met den ram des schuldoffers, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des HEEREN verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden van zijn zonde, die hij gezondigd heeft.
22 Ali, na presença do Senhor , o sacerdote oferecerá o carneiro a Deus e assim conseguirá o perdão do pecado que o homem cometeu.
23 Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.
23 — Quando vocês estiverem morando na terra de Canaã e plantarem árvores frutíferas, não comam as frutas que as árvores derem nos primeiros três anos; essas frutas são impuras.
24 Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den HEERE.
24 No quarto ano as frutas serão dedicadas a mim, o Senhor , como oferta de louvor.
25 En in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben de HEERE, uw God!
25 No quinto ano vocês poderão comer as frutas, e assim as árvores produzirão cada vez mais. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
26 Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
26 — Não comam carne em que houver sangue. Não procurem adivinhar o futuro, nem façam feitiçarias.
27 Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven.
27 Não cortem o cabelo dos lados da cabeça, nem aparem a barba.
28 Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!
28 Quando chorarem a morte de alguém, não se cortem, nem façam marcas no corpo. Eu sou o Senhor .
29 Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.
29 — Não desonrem as suas filhas entregando-as para serem prostitutas nos templos pagãos . Isso encheria a terra de idolatria e de pecado.
30 Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!
30 Guardem o sábado, que é um dia sagrado, e respeitem o lugar onde sou adorado. Eu sou o Senhor .
31 Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!
31 — Não procurem a ajuda dos que invocam os espíritos dos mortos e dos que adivinham o futuro. Isso é pecado e fará com que vocês fiquem impuros. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
32 Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!
32 — Fiquem de pé na presença das pessoas idosas e as tratem com todo o respeito; e honrem a mim, o Deus de vocês. Eu sou o Senhor .
33 En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken.
33 — Não maltratem os estrangeiros que vivem na terra de vocês.
34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de HEERE, uw God!
34 Eles devem ser tratados como se fossem israelitas; amem os estrangeiros, pois vocês foram estrangeiros no Egito e devem amá-los como vocês amam a vocês mesmos. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
35 Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.
35 — Não prejudiquem os outros, usando medidas falsas de comprimento, peso ou capacidade.
36 Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
36 Usem balanças certas, pesos certos e medidas certas. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês. Eu os tirei do Egito.
37 Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!
37 — Obedeçam às minhas leis e aos meus mandamentos. Eu sou o Senhor .

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Levítico 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.