Levítico 18

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1 O Senhor Deus mandou Moisés
2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!
2 dizer aos israelitas o seguinte: — Eu sou o
3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kanaan, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
3 Não sigam os costumes do povo do Egito, onde vocês moravam, nem os costumes do povo de Canaã, a terra para onde eu os estou levando. Não vivam de acordo com as leis desses povos.
4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!
4 Pelo contrário, obedeçam às minhas leis e guardem os meus mandamentos. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!
5 Se obedecerem às minhas leis e guardarem os meus mandamentos, vocês viverão. Eu sou o Senhor .
6 Niemand zal tot enige nabestaande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben de HEERE!
6 O Senhor Deus deu as seguintes ordens para os homens de Israel: Não tenha relações sexuais com uma mulher que seja sua parenta.
7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
7 Não tenha relações com a sua mãe; isso seria uma vergonha para o seu pai e também para a sua mãe.
8 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.
8 Não tenha relações com qualquer outra mulher que pertença ao seu pai.
9 De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders, of der dochter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult gij niet ontdekken.
9 Não tenha relações com a sua irmã, seja por parte de pai e de mãe ou somente por parte de pai; e não importa que ela tenha sido criada na mesma casa ou em outra.
10 De schaamte der dochter uws zoons, of der dochter uwer dochter, haar schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uw schaamte.
10 Não tenha relações com a sua neta; isso seria uma vergonha para você.
11 De schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uw vader geboren is (zij is uw zuster), haar schaamte zult gij niet ontdekken.
11 Não tenha relações com a sua irmã por parte somente de pai, pois ela é irmã mesmo. Não tenha relações com a sua tia, seja por parte de pai ou por parte de mãe.
12 Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken; zij is uws vaders nabestaande.
12 — ausente —
13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken; want zij is uwer moeder nabestaande.
13 — ausente —
14 Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult gij niet naderen; zij is uw moei.
14 Não tenha relações com a mulher do seu tio por parte de pai, pois ela é sua tia.
15 Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
15 Não tenha relações com a sua nora.
16 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken; het is de schaamte uws broeders.
16 Não tenha relações com a sua cunhada; isso seria uma vergonha para o seu irmão.
17 Gij zult de schaamte ener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult gij nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.
17 Não tenha relações com a filha ou a neta de uma mulher com quem você já teve relações; é possível que ela seja sua parenta, e isso seria uma imoralidade.
18 Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte nevens haar, in haar leven, te ontdekken.
18 Não case com a sua cunhada, irmã da sua esposa, enquanto esta estiver viva. Isso criaria inimizade entre as duas irmãs.
19 Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
19 Não tenha relações com uma mulher durante a menstruação.
20 En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.
20 Não tenha relações com a mulher de outro homem; isso torna você impuro .
21 En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Molech door het vuur te doen gaan; en den Naam uws Gods zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!
21 Nenhum pai deverá entregar o filho ou a filha para servir o deus Moloque . Isso seria profanar o santo nome de Deus, o Senhor .
22 Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.
22 Nenhum homem deverá ter relações com outro homem; Deus detesta isso.
23 Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.
23 Ninguém, homem ou mulher, deverá ter relações com um animal; isso é uma imoralidade, e a pessoa fica impura.
24 Verontreinigt u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd;
24 E Deus disse ao povo de Israel: — Não façam nenhuma dessas coisas, pois vocês ficarão impuros, como ficaram impuros os povos que eu vou expulsar da terra que vai ser de vocês.
25 Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelve zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.
25 Os pecados daqueles povos fizeram com que a terra onde eles moravam ficasse impura; por isso eu castiguei aquela terra, e ela está expulsando os seus moradores.
26 Maar gij zult Mijn inzettingen en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
26 Mas vocês todos, tanto os israelitas como os estrangeiros que vivem no meio de vocês, obedeçam às minhas leis e aos meus mandamentos e não cometam nenhuma dessas imoralidades.
27 Want de lieden dezes lands, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden.
27 Pois foram esses os pecados que os homens que moravam naquela terra cometeram, e por isso ela ficou impura.
28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft.
28 Portanto, que não aconteça que vocês façam a terra ficar impura e que ela os expulse, como fez com os povos que moravam lá.
29 Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
29 Quem cometer um desses pecados será expulso do meio do povo de Israel.
30 Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niet doet van die gruwelijke inzettingen, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben de HEERE, uw God!
30 Obedeçam a todos os meus mandamentos e não imitem os costumes imorais dos povos que moravam naquela terra antes de vocês. Não se tornem impuros. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Levítico 18, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.