Lamentações 1

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden.
1 Como está abandonada Jerusalém, a cidade que antes vivia cheia de gente! Ela era respeitada no mundo inteiro, mas agora parece uma viúva; a rainha entre as nações hoje não passa de uma escrava.
2 Beth. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden.
2 Ela chora a noite inteira, as lágrimas correm pelo seu rosto. Dos seus antigos amigos não ficou nenhum para a consolar. Todos eles a traíram e agora são inimigos dela.
3 Gimel. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten.
3 O povo de Judá foi levado para longe da sua pátria e sofre como escravo em trabalhos forçados. Eles moram em outros países e não têm descanso. Estão cercados pelos seus perseguidores e não podem escapar.
4 Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid.
4 As estradas que levam a Sião estão tristes, pois não há ninguém que vá por elas para as festas religiosas. As moças que cantavam no Templo estão aflitas, e os sacerdotes vivem gemendo. A cidade sofre amargamente, e não há gente para se reunir nas suas praças.
5 He. Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders.
5 Os seus inimigos a dominam, e para eles tudo vai bem. É que o por causa dos muitos pecados dos seus moradores. Os seus filhos foram presos pelos inimigos e levados para longe da sua pátria.
6 Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers.
6 A beleza de Jerusalém é coisa do passado. As suas autoridades são como que estão fracos de fome e fogem, sem forças, dos caçadores.
7 Zain. Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij geen helper heeft; de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.
7 Nestes dias de tristeza e aflição, Jerusalém lembra de todas as riquezas que teve no passado. Ela se recorda de que ninguém veio ajudá-la quando caiu em poder dos inimigos, que zombaram dela na sua queda.
8 Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.
8 Ela perdeu a honra; está nua, e todos a desprezam. Ela vive gemendo e esconde o rosto, envergonhada. Jerusalém se tornou por haver pecado gravemente.
9 Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot.
9 Era fácil ver a mancha do seu pecado. Jerusalém não pensou no que poderia acontecer. Ela caiu de modo terrível e não tem quem a console. Os seus inimigos venceram, e ela pede que o
10 Jod. De tegenpartijder heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden hadt, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden.
10 Os inimigos levaram embora todas as suas riquezas. O povo viu os pagãos entrarem no Templo, coisa que Deus os proibiu de fazer.
11 Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.
11 O povo de Jerusalém anda gemendo, procurando o que comer; eles trocaram as suas riquezas por alimentos para poder continuar a viver. A cidade diz: “Ó e vê a minha desgraça!”
12 Lamed. Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns.
12 Aos que vão passando, Jerusalém diz: “Olhem para mim! Será que existe uma dor igual à minha? No dia em que ficou o
13 Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
13 “Lá de cima, Deus enviou um fogo que queima dentro de mim. Ele me armou uma armadilha e me jogou no chão. Depois, me abandonou num sofrimento que não tem mais fim.
14 Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.
14 “Ele tomou nota dos meus pecados, amarrou-os todos juntos, pendurou-os no meu pescoço, e o peso deles acabou com as minhas forças. O Senhor me entregou aos meus inimigos, e eu não fui capaz de resistir.
15 Samech. De Heere heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heere heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, getreden.
15 “O Senhor fez pouco dos meus melhores soldados. Ele mandou um exército para destruir os meus moços e esmagou o meu povo santo como se esmagam as uvas para fazer vinho.
16 Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
16 “Tudo isso me faz chorar e deixa os meus olhos cheios de lágrimas. Não há ninguém que me console, ninguém que me anime. Os inimigos me derrotaram, e o meu povo ficou no meio de ruínas.
17 Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen.
17 “Eu estendo as mãos, mas ninguém quer me ajudar. De todos os lados, o e eles me tratam como se eu fosse uma coisa nojenta.
18 Tsade. De HEERE is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn in de gevangenis gegaan.
18 “Mas o Senhor é justo e me castigou, pois eu me revoltei contra os seus mandamentos. Todos os povos, escutem! Vejam a minha dor! As minhas moças e os meus moços foram levados para longe como prisioneiros.
19 Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken.
19 “Pedi ajuda aos meus aliados, mas eles me traíram. Os sacerdotes e as autoridades morreram nas minhas ruas, enquanto procuravam comida para poder continuar a viver.
20 Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
20 “Vê, ó Senhor , a minha aflição; estou profundamente perturbada! A dor aperta o meu coração quando penso que me revoltei contra ti. Há assassinatos nas ruas, e até dentro das casas há mortes.
21 Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.
21 “Ó Deus, ouve os meus gemidos, pois não há ninguém que me console. Todos os meus inimigos sabem da minha desgraça e ficam contentes porque tu me fizeste sofrer. Faze com que venha o dia que prometeste, para que os meus inimigos sofram tanto quanto eu.
22 Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.
22 “Condena-os por causa de todas as suas maldades, castiga-os como me castigaste por causa dos meus pecados. Eu não paro de gemer, e o meu coração está doente.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lamentações 1, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.