Juízes 3

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Dit nu zijn de heidenen, die de HEERE liet blijven, om door hen Israel te verzoeken, allen, die niet wisten van al de krijgen van Kanaan;
1 O Senhor Deus deixou alguns povos na terra para pôr à prova os israelitas que não haviam tomado parte nas guerras de Canaã.
2 Alleenlijk, opdat de geslachten der kinderen Israels die wisten, opdat Hij hun den krijg leerde, tenminste dengenen, die daar te voren niet van wisten.
2 Ele fez isso somente para ensinar todos os israelitas a guerrear, especialmente aqueles que nunca haviam estado numa batalha.
3 Vijf vorsten der Filistijnen, en al de Kanaanieten, en de Sidoniers, en de Hevieten, wonende in het gebergte van den Libanon, van den berg Baal-Hermon, tot daar men komt te Hamath.
3 Os povos que ficaram na terra foram: os moradores das cinco cidades dos filisteus, todos os cananeus, os sidônios e os heveus que viviam nos montes Líbanos, desde o monte Baal-Hermom até a subida de Hamate.
4 Dezen dan waren, om Israel door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden des HEEREN zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had.
4 Eles ficaram para pôr à prova o povo de Israel a fim de que o Senhor visse se eles iam ou não obedecer aos mandamentos que lhes tinha dado por meio de Moisés.
5 Als nu de kinderen Israels woonden in het midden der Kanaanieten, der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten;
5 Assim o povo de Israel ficou morando no meio dos cananeus, dos heteus, dos amorreus, dos perizeus, dos heveus e dos jebuseus.
6 Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen; en zij dienden derzelver goden.
6 E os israelitas casaram com essa gente e adoraram os seus deuses.
7 En de kinderen Israels deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten den HEERE, hun God, en zij dienden de Baals en de bossen.
7 O povo de Israel esqueceu o Senhor , seu Deus. Pecou contra ele e adorou os deuses dos cananeus e os postes da deusa Aserá .
8 Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamie; en de kinderen Israels dienden Cuschan Rischataim acht jaren.
8 Por isso o Senhor ficou muito irado com Israel e deixou que Cuchã-Risataim, rei da Mesopotâmia, os conquistasse. E o povo de Israel foi dominado por ele durante oito anos.
9 Zo riepen de kinderen Israels tot den HEERE; en de HEERE verwekte de kinderen Israels een verlosser, die hen verloste, Othniel, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij.
9 Então os israelitas pediram socorro ao Senhor , e ele mandou um homem para libertá-los. Esse homem foi Otoniel, filho de Quenaz, o irmão mais novo de Calebe.
10 En de Geest des HEEREN was over hem, en hij richtte Israel, en toog uit ten strijde; en de HEERE gaf Cuschan Rischataim, den koning van Syrie, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.
10 Ele foi guiado pelo Espírito de Deus, o Senhor , e se tornou o líder de Israel. Otoniel foi para a guerra, e o Senhor fez com que ele vencesse o rei da Mesopotâmia.
11 Toen was het land veertig jaren stil, en Othniel, de zoon van Kenaz, stierf.
11 Depois disso Otoniel ainda viveu quarenta anos, e durante todo esse tempo a terra de Israel ficou em paz.
12 Maar de kinderen Israels voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; toen sterkte de HEERE Eglon, den koning der Moabieten, tegen Israel, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
12 Depois da morte de Otoniel, o povo de Israel pecou outra vez contra Deus, o Senhor . Por causa disso o Senhor fez com que Eglom, rei de Moabe, ficasse mais forte do que eles.
13 En hij vergaderde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij toog heen, en sloeg Israel, en zij namen de Palmstad in bezit.
13 Eglom se juntou com os amonitas e os amalequitas, e eles atacaram Israel e tomaram Jericó, a cidade das palmeiras.
14 En de kinderen Israels dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren.
14 O povo de Israel foi dominado por Eglom durante dezoito anos.
15 Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen Israels zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten.
15 Então os israelitas pediram outra vez socorro ao Senhor , e ele mandou outro homem para libertá-los. Foi Eúde, filho de Gera, da tribo de Benjamim. Eúde era canhoto. O povo de Israel mandou-o levar o pagamento dos impostos para Eglom, rei de Moabe.
16 En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup.
16 Então Eúde fez um grande punhal, de mais ou menos meio metro de comprimento. Ele amarrou o punhal debaixo da roupa, do lado direito,
17 En hij bracht aan Eglon, den koning der Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man.
17 e foi levar os impostos a Eglom, que era muito gordo.
18 En het geschiedde, als hij geeindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden;
18 Depois de entregá-los, Eúde mandou embora os carregadores.
19 Maar hijzelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.
19 Mas ele voltou do lugar onde estavam as imagens de pedra, perto de Gilgal, e disse ao rei: — Ó rei, tenho uma informação secreta para lhe dar. Então o rei ordenou que todos os outros saíssem da sala. E todos saíram.
20 En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u. Toen stond hij op van den stoel.
20 O rei estava sentado na sua sala de verão, no terraço. Eúde chegou perto dele e disse: — Tenho um recado de Deus para o senhor. O rei se levantou.
21 Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik;
21 Então Eúde, com a mão esquerda, tirou o punhal que estava no seu lado direito e o enterrou na barriga de Eglom.
22 Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de drek uitging.
22 O punhal entrou até o cabo, e a gordura o cobriu porque Eúde não o tirou da barriga do rei. E a ponta do punhal apareceu entre as suas pernas.
23 Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot.
23 Em seguida Eúde trancou as portas, saiu pela janela
24 Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer.
24 e foi embora. Aí os empregados chegaram e viram que as portas estavam trancadas. Então pensaram que o rei tinha ido ao banheiro.
25 Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open; en ziet, hunlieder heer lag ter aarde dood.
25 Esperaram muito tempo, mas, como ele não abria a porta, pegaram a chave e a abriram. E o rei estava morto, caído no chão.
26 En Ehud ontkwam, terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehirath.
26 Enquanto eles estavam esperando, Eúde fugiu. Passou pelas imagens de pedra e foi para Seirá.
27 En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraim; en de kinderen Israels togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.
27 Quando chegou lá, nas montanhas de Efraim, ele tocou uma corneta de chifre de carneiro para chamar os homens de Israel para a luta. Ele os guiou montanha abaixo,
28 En hij zeide tot hen: Volgt mij na; want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veren van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan.
28 dizendo: — Sigam-me. O Então os israelitas o seguiram e tomaram o lugar onde os moabitas costumavam atravessar o rio Jordão. E não deixaram ninguém atravessar.
29 En zij sloegen de Moabieten te dier tijd, omtrent tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam.
29 Nessa batalha eles mataram mais ou menos dez mil soldados moabitas, todos fortes e valentes. E nem um escapou.
30 Alzo werd Moab te dien dage onder Israels hand ten ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren.
30 Assim os israelitas derrotaram Moabe naquele dia. E houve paz na terra de Israel durante oitenta anos.
31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook Israel.
31 O líder seguinte foi Sangar, filho de Anate. Ele matou seiscentos filisteus com um ferrão de tocar bois. E assim ele também libertou o povo de Israel.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Juízes 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.