Juízes 2

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid.
1 O Anjo do Senhor foi de Gilgal a Boquim e disse aos israelitas: — Eu tirei vocês da terra do Egito e os trouxe à terra que havia prometido aos seus pais. Eu disse: “Nunca quebrarei a
2 En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan?
2 Não façam nenhum acordo com os moradores desta terra. Pelo contrário, derrubem os altares deles.” Mas vocês não fizeram o que eu disse. Em vez disso, vejam o que fizeram!
3 Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
3 Agora eu digo que não tirarei este povo do caminho de vocês. Eles serão seus inimigos, e os deuses deles vão ser tentações para vocês.
4 En het geschiedde, als de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.
4 Quando o Anjo terminou de falar, todo o povo de Israel começou a chorar.
5 Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den HEERE.
5 Por isso aquele lugar é chamado de Boquim . E ali eles ofereceram sacrifícios a Deus, o Senhor .
6 Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.
6 Josué mandou embora todo o povo de Israel, e cada homem foi tomar conta do seu pedaço de terra.
7 En het volk diende den HEERE, al de dagen van Jozua, en al de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk des HEEREN, dat Hij aan Israel gedaan had.
7 O povo de Israel serviu a Deus, o Senhor , enquanto Josué viveu. Depois que ele morreu, eles ainda continuaram a servir o Senhor enquanto viveram os líderes que tinham visto tudo o que o Senhor havia feito por Israel.
8 Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde;
8 Josué, filho de Num, servo do Senhor , morreu com a idade de cento e dez anos.
9 En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Heres, op een berg van Efraim, tegen het noorden van den berg Gaas;
9 Ele foi sepultado no seu próprio pedaço de terra, em Timnate-Heres, na região montanhosa de Efraim, ao norte do monte Gaás.
10 En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat den HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israel gedaan had.
10 Todas as pessoas daquela geração também morreram e os seus filhos esqueceram o Senhor e as coisas que ele havia feito pelo povo de Israel.
11 Toen deden de kinderen Israels, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Baals.
11 Então o povo de Israel pecou contra Deus, o Senhor , adorando os deuses dos cananeus.
12 En zij verlieten den HEERE, hunner vaderen God, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten den HEERE tot toorn.
12 Eles deixaram de adorar o Senhor , o Deus dos seus antepassados, que os havia tirado do Egito. Começaram a seguir outros deuses, os deuses dos povos que viviam ao seu redor. Eles adoraram esses deuses e assim fizeram o Senhor ficar muito irado .
13 Want zij verlieten den HEERE, en dienden de Baal en Astharoth.
13 Abandonaram a Deus, o Senhor , e adoraram Baal e Astarote .
14 Zo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij gaf hen in de hand der rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand hunner vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden.
14 O Senhor ficou muito irado com o povo de Israel e deixou que eles fossem atacados e roubados por povos vizinhos. Ele entregou os israelitas nas mãos dos inimigos que viviam ao redor, e por isso eles não puderam mais resistir.
15 Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE gezworen had; en hun was zeer bang.
15 Sempre que saíam para lutar, o Senhor ficava contra eles, como tinha dito. Assim eles ficaram numa situação muito difícil.
16 En de HEERE verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
16 Então o Senhor Deus deu ao povo de Israel líderes fortes, chamados juízes, que os salvaram dos que os atacavam e roubavam.
17 Doch zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van den weg, dien hun vaders gewandeld hadden, horende de geboden des HEEREN; alzo deden zij niet.
17 Mas eles não deram atenção a esses líderes. Continuaram a desprezar a Deus e a adorar outros deuses. Os pais deles haviam obedecido aos mandamentos do Senhor , mas eles não obedeceram.
18 En wanneer de HEERE hun richteren verwekte, zo was de HEERE met den richter, en verloste hen uit de hand hunner vijanden, al de dagen des richters; want het berouwde den HEERE, huns zuchtens halve vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten.
18 O Senhor lhes dava um líder e o ajudava. Enquanto esse líder vivia, o Senhor salvava o povo dos seus inimigos. Ele tinha pena dos israelitas porque eles sofriam na escravidão.
19 Maar het geschiedde met het versterven des richters, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van dezen harden weg.
19 Mas, quando o líder morria, eles voltavam a viver como antes e se tornavam ainda piores do que os seus pais. Iam atrás de outros deuses, e os serviam, e adoravam. Teimavam em continuar nos seus maus caminhos.
20 Daarom ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel, dat Hij zeide: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben;
20 Por isso o Senhor Deus ficou muito irado com o povo de Israel e disse: — Esta nação quebrou a
21 Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf;
21 não expulsarei mais desta terra nenhuma das nações que Josué deixou quando morreu.
22 Opdat Ik Israel door hen verzoeke, of zij den weg des HEEREN zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.
22 Assim verei se os israelitas seguirão fielmente os meus caminhos, como os seus antepassados seguiram.
23 Alzo liet de HEERE deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastelijk uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven.
23 Assim o Senhor não expulsou logo da terra as nações que ele não tinha entregado a Josué, mas deixou que ficassem ali.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Juízes 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.