Juízes 12

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen werden de mannen van Efraim bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden.
1 Então os homens de Efraim foram convocados, passaram para Zafom e disseram a Jefté: — Por que você foi lutar contra os filhos de Amom e não nos chamou para ir com você? Por causa disso vamos queimar a sua casa com você dentro dela.
2 En Jeftha zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hun hand niet verlost.
2 Mas Jefté respondeu: — Eu e o meu povo tivemos uma grande discussão com os filhos de Amom. Chamei vocês, mas vocês não me livraram das mãos deles.
3 Als ik nu zag, dat gij niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en de HEERE gaf hen in mijn hand; waarom zijt gij dan te dezen dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?
3 Quando vi que vocês não iam me livrar, arrisquei a minha vida e fui lutar contra os filhos de Amom, e o Senhor os entregou nas minhas mãos. Então por que vocês estão vindo hoje para lutar contra mim?
4 En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed met Efraim; en de mannen van Gilead sloegen Efraim, want de Gileadieten, zijnde tussen Efraim en tussen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van Efraim.
4 E Jefté reuniu todos os homens de Gileade e lutou contra Efraim. Os homens de Gileade derrotaram os efraimitas, porque estes tinham dito: “Vocês, gileaditas, que moram no meio de Efraim e Manassés, são desertores de Efraim.”
5 Want de Gileadieten namen de Efraimieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraim zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraimiet? wanneer hij zeide: Neen;
5 Porém os gileaditas tomaram os vaus do Jordão que conduzem a Efraim. E, quando algum fugitivo de Efraim dizia: “Quero passar”, os homens de Gileade lhe perguntavam: “Você é efraimita?” Se respondesse que não,
6 Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zeide: Sibbolet, en kon het alzo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veren van de Jordaan, dat te dier tijd van Efraim vielen twee en veertig duizend.
6 os homens de Gileade lhe diziam: “Então diga ‘Xibolete’.” Se ele dizia “Sibolete”, não podendo pronunciar corretamente a palavra, eles o agarravam e matavam nos vaus do Jordão. Assim naquele tempo foram mortos quarenta e dois mil efraimitas.
7 Jeftha nu richtte Israel zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
7 Jefté, o gileadita, julgou Israel durante seis anos. Ele morreu e foi sepultado numa das cidades de Gileade.
8 En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.
8 Depois de Jefté, quem julgou Israel foi Ibsã, que era de Belém.
9 En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israel zeven jaren.
9 Ele tinha trinta filhos e trinta filhas. Ibsã deu as suas filhas em casamento a homens de fora; e, de fora, trouxe trinta mulheres para os seus filhos. Ibsã julgou Israel durante sete anos.
10 Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem.
10 Então morreu e foi sepultado em Belém.
11 En na hem richtte Israel Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israel tien jaren.
11 Depois de Ibsã, veio Elom, o zebulonita, que julgou Israel durante dez anos.
12 En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon.
12 Quando Elom, o zebulonita, morreu, foi sepultado em Aijalom, na terra de Zebulom.
13 En na hem richtte Israel Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.
13 Depois de Elom, quem julgou Israel foi Abdom, filho de Hilel, o piratonita.
14 En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israel acht jaren.
14 Ele tinha quarenta filhos e trinta netos, que cavalgavam setenta jumentos. Abdom julgou Israel durante oito anos.
15 Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraim, op den berg van den Amalekiet.
15 Então Abdom, filho de Hilel, o piratonita, morreu e foi sepultado em Piratom, na terra de Efraim, na região montanhosa dos amalequitas.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Juízes 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.