Josué 7

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels.
1 Mas os filhos de Israel foram infiéis em relação às coisas condenadas, porque Acã, filho de Carmi, filho de Zabdi, filho de Zera, da tribo de Judá, pegou para si uma parte das coisas condenadas. A ira do Senhor se acendeu contra os filhos de Israel.
2 Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
2 Josué enviou alguns homens de Jericó até a cidade de Ai, que está junto a Bete-Áven, a leste de Betel, e lhes falou, dizendo: — Vão e espiem a terra. Os homens foram e espiaram a cidade.
3 Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinige.
3 E voltaram a Josué e lhe disseram: — Não é necessário que vá todo o povo; bastam uns dois ou três mil homens, para atacar a cidade de Ai. Não fatigue ali todo o povo, porque são poucos os inimigos.
4 Alzo trokken derwaarts op van het volk omtrent drie duizend man; dewelke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai.
4 Assim, apenas uns três mil homens do povo foram até lá, os quais fugiram diante dos homens da cidade de Ai.
5 En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water.
5 Os homens dali mataram uns trinta e seis deles, e perseguiram os outros desde o portão da cidade até as pedreiras, e os derrotaram na descida. E o coração do povo se derreteu e se tornou como água.
6 Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.
6 Então Josué rasgou a sua roupa e se prostrou com o rosto em terra diante da arca do Senhor até a tarde, ele e os anciãos de Israel; e puseram pó sobre a cabeça.
7 En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!
7 E Josué disse: — Ah!
8 Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israel voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?
8 Ah! Senhor, que direi? Pois Israel virou as costas diante dos seus inimigos!
9 Als het de Kanaanieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?
9 Quando os cananeus e todos os moradores da terra ouvirem isto, nos cercarão e apagarão o nosso nome da face da terra; e, então, que farás ao teu grande nome?
10 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?
10 Então o Senhor disse a Josué: — Levante-se! Por que você está assim prostrado sobre o seu rosto?
11 Israel heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, hetwelk Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.
11 Israel pecou. Quebraram a minha aliança, aquilo que eu lhes havia ordenado, pois tomaram das coisas condenadas, furtaram, mentiram e até debaixo da sua bagagem o puseram.
12 Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt.
12 Por isso os filhos de Israel não puderam resistir aos seus inimigos; viraram as costas diante deles, porque Israel está condenado à destruição. Não continuarei com vocês, se não eliminarem do meio de vocês a coisa roubada.
13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Er is een ban in het midden van u, Israel! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u.
13 — Levante-se, santifique o povo e diga: “Santifiquem-se para amanhã, porque assim diz o Senhor , Deus de Israel: ‘Há coisas condenadas no meio de vocês, ó Israel. Vocês não poderão resistir aos seus inimigos enquanto não eliminarem do meio de vocês as coisas condenadas.
14 Gij zult dan in den morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal geschieden, de stam, welken de HEERE geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.
14 Pela manhã, pois, vocês se apresentarão, segundo as suas tribos; e a tribo que o Senhor designar por sorteio se apresentará, segundo as famílias; e a família que o Senhor designar se apresentará por casas; e a casa que o Senhor designar se apresentará homem por homem.
15 En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israel gedaan heeft.
15 Aquele que for achado com a coisa condenada será queimado, ele e tudo o que tiver, porque quebrou a aliança do Senhor e cometeu um ato infame em Israel.’”
16 Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israel aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.
16 Então Josué se levantou de madrugada e fez com que Israel se apresentasse, segundo as suas tribos; e a sorte caiu sobre a tribo de Judá.
17 Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt;
17 Ele fez com que se apresentasse a tribo de Judá, e a família indicada foi a dos zeraítas. Fez com que se apresentasse a família dos zeraítas, homem por homem, e a família indicada foi a de Zabdi.
18 Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda.
18 E, fazendo com que se apresentasse a família de Zabdi, homem por homem, o indicado foi Acã, filho de Carmi, filho de Zabdi, filho de Zera, da tribo de Judá.
19 Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
19 Então Josué disse a Acã: — Meu filho, dê glória ao
20 Achan nu antwoordde Jozua, en zeide: Voorwaar, ik heb tegen den HEERE, den God Israels, gezondigd, en heb alzo en alzo gedaan.
20 Acã respondeu a Josué: — É verdade, eu pequei contra o
21 Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.
21 Quando vi entre o despojo uma boa capa babilônica, uns dois quilos e meio de prata e uma barra de ouro pesando mais de meio quilo, cobicei essas coisas e as peguei para mim; e eis que estão escondidas na terra, no meio da minha tenda, e a prata, por baixo.
22 Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.
22 Então Josué enviou mensageiros que foram correndo à tenda de Acã; e eis que tudo estava escondido nela, e a prata estava por baixo.
23 Zij dan namen die dingen uit het midden der tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de kinderen Israels; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des HEEREN.
23 Tiraram aquelas coisas do meio da tenda, e as trouxeram a Josué e a todos os filhos de Israel, e as colocaram diante do Senhor .
24 Toen nam Jozua, en gans Israel met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.
24 Então Josué e todo o Israel com ele pegaram Acã, filho de Zera, e a prata, a capa, a barra de ouro, os filhos e as filhas dele, os seus bois, os seus jumentos, as suas ovelhas, a sua tenda e tudo o que ele tinha e os levaram para o vale de Acor.
25 En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israel stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.
25 Josué disse a Acã: — Por que você trouxe esta calamidade sobre nós? O E todo o Israel o apedrejou. E, depois de apedrejá-los, ainda os queimou.
26 En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde Zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.
26 E levantaram sobre ele um montão de pedras, que permanece até o dia de hoje. Assim, o

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Josué 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.