Josué 19

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.
1 E saiu a segunda sorte a Simeão, à tribo dos filhos de Simeão, segundo as suas famílias, e foi a sua herança no meio da herança dos filhos de Judá.
2 En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
2 E tiveram na sua herança: Berseba, e Seba, e Molada,
3 En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
3 e Hazar-Sual, e Balá, e Ezém,
4 En Eltholad, en Bethul, en Horma,
4 e Eltolade, e Betul, e Horma,
5 En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
5 e Ziclague, e Bete-Marcabote, e Hazar-Susa,
6 En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
6 e Bete-Lebaote, e Saruém: treze cidades e as suas aldeias.
7 Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
7 Aim, e Rimom, e Eter, e Asã: quatro cidades e as suas aldeias.
8 En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath-Beer, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen.
8 E todas as aldeias que havia em redor destas cidades, até Baalate-Ber, que é Ramá do Sul; esta era a herança da tribo dos filhos de Simeão, segundo as suas famílias.
9 Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.
9 A herança dos filhos de Simeão estava entre o quinhão dos de Judá, porquanto a herança dos filhos de Judá era demasiadamente grande para eles; pelo que os filhos de Simeão tiveram a sua herança no meio deles.
10 Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid.
10 E saiu a terceira sorte aos filhos de Zebulom, segundo as suas famílias, e foi o termo da sua herança até Saride.
11 En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.
11 E subia o seu termo pelo ocidente a Marala, e chegava até Dabesete, e chegava também até ao ribeiro que está defronte de Jocneão.
12 En zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Chisloth-Thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat opwaarts naar Jafia.
12 E, de Saride, voltava para o oriente, para o nascente do sol, até ao termo de Quislote-Tabor, e saía a Daberate, e ia subindo a Jafia;
13 En van daar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-Hefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon-Methoar, hetwelk is Nea.
13 e, dali, passava pelo oriente, para o nascente, a Gate-Hefer, em Ete-Cazim, e saía a Rimom-Metoar, que é Neá;
14 En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.
14 e tornava este termo para o norte a Hanatom, e as suas saídas eram o vale de Ifta-El;
15 En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
15 e Catate, e Naalal, e Sinrom, e Idala, e Belém: doze cidades e as suas aldeias.
16 Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen.
16 Esta era a herança dos filhos de Zebulom, segundo as suas famílias; estas cidades e as suas aldeias.
17 Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.
17 A quarta sorte saiu a Issacar, aos filhos de Issacar, segundo as suas famílias.
18 En hun landpale was Jizreela, en Chesulloth, en Sunem,
18 E foi o seu termo Jezreel, e Quesulote, e Suném,
19 En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
19 e Hafaraim, e Siom, e Anacarate,
20 En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
20 e Rabite, e Quisião, e Ebes,
21 En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
21 e Remete, e En-Ganim, e En-Hada, e Bete-Pasês.
22 En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-Semes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen.
22 E chegava este termo até Tabor, e Saazima, e Bete-Semes; e as saídas do seu termo estavam no Jordão: dezesseis cidades e as suas aldeias.
23 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
23 Esta era a herança da tribo dos filhos de Issacar, segundo as suas famílias; estas cidades e as suas aldeias.
24 Toen ging het vijfde lot voor den stam der kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen.
24 E saiu a quinta sorte à tribo dos filhos de Aser, segundo as suas famílias.
25 En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
25 E foi o seu termo Helcate, e Hali, e Béten, e Acsafe,
26 En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;
26 e Alameleque, e Amade, e Misal; e chegava ao Carmelo para o ocidente, e a Sior-Libnate;
27 En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;
27 e voltava do nascente do sol a Bete-Dagom, e chegava a Zebulom e ao vale de Ifta-El, ao norte de Bete-Emeque e de Neiel, e vinha sair a Cabul pela esquerda,
28 En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.
28 e Ebrom, e Reobe, e Hamom, e Caná, até à grande Sidom.
29 En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,
29 E voltava este termo a Ramá e até à forte cidade de Tiro; então, tornava este termo a Hosa, e as suas saídas estavam para o mar, desde o quinhão da terra até Aczibe;
30 En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
30 e Umá, e Afeca, e Reobe: vinte e duas cidades e as suas aldeias.
31 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
31 Esta era a herança da tribo dos filhos de Aser, segundo as suas famílias; estas cidades e as suas aldeias.
32 Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.
32 E saiu a sexta sorte aos filhos de Naftali, para os filhos de Naftali segundo as suas famílias.
33 En hun landpale is van Helef, van Allon tot Zaanannim, en Adami-Nekeb, en Jabneel, tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan.
33 E foi o seu termo desde Helefe e desde Alom em Zaananim, e Adami-Nequebe, e Jabneel, até Lacum, e estavam as suas saídas no Jordão.
34 En deze landpale wendt zich westwaarts naar Asnoth-Thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen den opgang der zon.
34 E voltava este termo pelo ocidente a Aznote-Tabor, e dali passava a Hucoque, e chegava a Zebulom para o sul, e chegava a Aser para o ocidente, e a Judá pelo Jordão, para o nascente do sol.
35 De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,
35 E eram as cidades-fortes: Zidim, e Zer, e Hamate, e Racate, e Quinerete,
36 En Adama, en Rama, en Hazor,
36 e Adamá, e Ramá, e Hazor,
37 En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
37 e Quedes, e Edrei, e En-Hazor,
38 En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
38 e Irom, e Migdal-El, e Horém, e Bete-Anate, e Bete-Semes: dezenove cidades e as suas aldeias.
39 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
39 Esta era a herança da tribo dos filhos de Naftali, segundo as suas famílias; estas cidades e as suas aldeias.
40 Het zevende lot ging uit voor den stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen.
40 A sétima sorte saiu à tribo dos filhos de Dã, segundo as suas famílias.
41 En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,
41 E foi o termo da sua herança Zorá, e Estaol, e Ir-Semes,
42 En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
42 e Saalabim, e Aijalom, e Itla,
43 En Elon, en Timnatha, en Ekron,
43 e Elom, e Timna, e Ecrom,
44 En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
44 e Elteque, e Gibetom, e Baalate,
45 En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
45 e Jeúde, e Benê-Beraque, e Gate-Rimom,
46 En Me-Jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.
46 e Me-Jarcom, e Racom com o termo defronte de Jafo.
47 Doch de landpale der kinderen van Dan was hun klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem, Dan, naar den naam van hun vader Dan.
47 Saiu, porém, pequeno o termo aos filhos de Dã; pelo que subiram os filhos de Dã, e pelejaram contra Lesém, e a tomaram, e a feriram a fio de espada, e a possuíram, e habitaram nela; e a Lesém chamaram Dã, conforme o nome de Dã, seu pai.
48 Dit is het erfdeel van de stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
48 Esta era a herança da tribo dos filhos de Dã, segundo as suas famílias; estas cidades e as suas aldeias.
49 Toen zij nu geeindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn landpale, zo gaven de kinderen Israels aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.
49 Acabando, pois, de repartir a terra em herança segundo os seus termos, deram os filhos de Israel a Josué, filho de Num, herança no meio deles.
50 Naar den mond des HEEREN gaven zij hem die stad, welke hij begeerde, Thimnath-Serah, op het gebergte van Efraim; en hij bouwde die stad, en woonde in dezelve.
50 Segundo o dito do Senhor , lhe deram a cidade que pediu, Timnate-Sera, na montanha de Efraim; e reedificou aquela cidade e habitou nela.
51 Dit zijn de erfdelen, welke Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen, door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdelen des lands.
51 Estas eram as heranças que Eleazar, o sacerdote, e Josué, filho de Num, e os cabeças dos pais das famílias por sorte em herança repartiram pelas tribos dos filhos de Israel em Siló, perante o Senhor , à porta da tenda da congregação. E, assim, acabaram de repartir a terra.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Josué 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.