Jeremias 9

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks.
1 Eu gostaria que a minha cabeça fosse como um poço de água e que os meus olhos fossem como uma fonte de lágrimas, para que eu pudesse chorar dia e noite pela minha gente que foi morta.
2 Och, dat ik in de woestijn een herberg der wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop.
2 Eu gostaria de ter um lugar para ficar no deserto, onde pudesse estar longe do meu povo. Todos eles são adúlteros, são um bando de traidores.
3 En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen; zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de HEERE.
3 Estão sempre prontos para contar mentiras. O que manda na terra é a desonestidade, e não a verdade. O “O meu povo faz maldade em cima de maldade e não quer saber de mim.”
4 Wacht u, een iegelijk van zijn vriend, en vertrouwt niet op enigen broeder; want elk broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.
4 Cada um precisa estar prevenido contra o seu amigo, e ninguém pode confiar no próprio irmão porque todo irmão é tão falso como Jacó. Todos andam caluniando os seus amigos.
5 En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.
5 Todos eles enganam os seus conhecidos, e ninguém fala a verdade. Eles ensinaram a sua língua a mentir; pecam e não abandonam a sua vida de pecado.
6 Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.
6 Fazem uma violência atrás da outra e tapeação em cima de tapeação. Deus diz que este povo não quer aceitá-lo.
7 Daarom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Ziet, Ik zal hen smelten en zal hen beproeven; want hoe zou Ik anders doen ten aanzien der dochter Mijns volks?
7 Por causa disso, o Senhor Todo-Poderoso diz: “Vou purificar o meu povo como se faz com o metal; eu o farei passar por uma prova. O meu povo fez o mal — o que é que eu posso fazer com ele?
8 Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.
8 A sua língua é como uma flecha envenenada, e a sua boca fala mentiras. Cada um diz palavras amáveis ao seu vizinho, mas na verdade está preparando uma armadilha para ele.
9 Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?
9 Será que eu não devo castigá-los por causa dessas coisas? Não devo me vingar de uma nação como esta? Eu, o
10 Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten der woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
10 Eu, Jeremias, disse: “Vou chorar por causa das montanhas, vou lamentar porque as pastagens estão secas, e ninguém passa por elas. Não se ouve mais o mugido do gado; as aves e os animais selvagens fugiram e foram embora.”
11 En Ik zal Jeruzalem stellen tot steen hopen, tot een woning der draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner.
11 Deus disse: “Vou fazer Jerusalém virar um montão de pedras, um lugar onde moram lobos. E as cidades de Judá se transformarão num deserto onde ninguém mora.”
12 Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wien heeft de mond des HEEREN gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat?
12 Eu perguntei: — Ó
13 En de HEERE zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;
13 E o Senhor respondeu: — Isso aconteceu porque o meu povo abandonou os ensinamentos que eu lhe dei. Eles não me obedeceram, nem fizeram o que mandei.
14 Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baals, hetwelk hun vaders hun geleerd hadden.
14 Pelo contrário, foram teimosos e adoraram as imagens do deus Baal , como os pais deles ensinaram.
15 Daarom zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, alzo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater;
15 Agora, escute o que eu, o Senhor Todo-Poderoso, o Deus de Israel, vou fazer. Darei ao meu povo plantas amargas para comer e água envenenada para beber.
16 En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.
16 Espalharei o meu povo pelo meio de nações que nem eles nem os seus antepassados sabiam que existiam. Mandarei exércitos contra o meu povo, até que seja completamente destruído.
17 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.
17 O Senhor Todo-Poderoso disse: “Atenção! Chamem mulheres que são pagas para chorar, mulheres que saibam cantar músicas tristes.”
18 En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.
18 O povo disse: “Que elas venham depressa e cantem uma canção triste para nós para que os nossos olhos se encham de lágrimas e fiquem molhados de tanto chorar!”
19 Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten, omdat zij onze woningen hebben omgeworpen.
19 Ouçam o povo de Sião chorando e dizendo: “Estamos perdidos! Estamos muito envergonhados! As nossas casas foram derrubadas, e temos de deixar a nossa terra.”
20 Hoort dan des HEEREN woord, gij vrouwen! en uw oor ontvange het woord Zijns monds, en leert uw dochters weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen.
20 Eu disse: “Mulheres, ouçam o que o e deem atenção às suas palavras. Ensinem as suas filhas a chorar; ensinem as suas amigas a cantar canções tristes.
21 Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderkens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten.
21 A morte subiu pelas nossas janelas e entrou nos nossos palácios. Acabou com as crianças nas ruas e com os moços nas praças dos mercados.
22 Spreek: Zo spreekt de HEERE: Ja, een dood lichaam des mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter den maaier, die niemand opzamelt.
22 Os corpos dos mortos cairão, serão como esterco espalhado nos campos, como espigas cortadas e caídas das mãos dos que fazem a colheita, espigas que ninguém recolhe. Isso é o que Deus me mandou dizer.”
23 Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
23 O Senhor disse: — O sábio não deve se orgulhar da sua sabedoria, nem o forte, da sua força, nem o rico, da sua riqueza.
24 Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de HEERE ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de HEERE.
24 Se alguém quiser se orgulhar, que se orgulhe de me conhecer e de me entender; porque eu, o Senhor , sou Deus de amor e faço o que é justo e direito no mundo. Estas são as coisas que me agradam. Eu, o Senhor , estou falando. — Está chegando o tempo em que vou castigar o povo do Egito, de Judá, de Edom, de Amom, de Moabe e todos os que vivem no deserto e costumam cortar o cabelo bem curto . Todos esses povos são
25 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben;
25 — ausente —
26 Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het ganse huis Israels heeft de voorhuid des harten.
26 — ausente —

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.