Jeremias 44

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:
1 Palavra que veio a Jeremias a respeito de todos os judeus moradores da terra do Egito, em Migdol, em Tafnes, em Mênfis e na terra de Patros:
2 Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid te deze dage, en niemand woont daarin;
2 — Assim diz o Senhor dos Exércitos, Deus de Israel: “Vocês viram todo o mal que fiz cair sobre Jerusalém e sobre todas as cidades de Judá. Eis que hoje elas estão em ruínas, e ninguém mora nelas,
3 Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, gij, noch uw vaders.
3 por causa da maldade que fizeram, para me provocarem à ira, indo queimar incenso e servir outros deuses que nem eles, nem vocês, nem os pais de vocês haviam conhecido.
4 En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.
4 Sempre de novo eu lhes enviei os meus servos, os profetas, para lhes dizer: ‘Não façam esta coisa abominável que eu detesto.’
5 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij anderen goden niet roken.
5 Mas eles não quiseram ouvir, nem atenderam para se converterem da sua maldade, para não queimarem incenso a outros deuses.
6 Daarom is Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.
6 Por isso, derramou-se a minha indignação e a minha ira, que se acenderam nas cidades de Judá e nas ruas de Jerusalém, fazendo com que ficassem arrasadas e em ruínas, como hoje se vê.”
7 En nu, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israels: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat?
7 — E agora, assim diz o Senhor , Deus dos Exércitos, o Deus de Israel: “Por que estão fazendo este mal tão grande contra vocês mesmos, eliminando do meio de Judá homens e mulheres, crianças e aqueles que ainda mamam, de modo que não lhes fique nenhum remanescente?
8 Tergende Mij door de werken uwer handen, rokende anderen goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat gij uzelven uitroeit, en opdat gij wordt tot een vloek, en tot een smaadheid onder alle volken der aarde?
8 Por que vocês me irritam com as obras de suas mãos, queimando incenso a outros deuses na terra do Egito, aonde vieram para morar? Por que vocês querem ser eliminados e se tornar objeto de maldição e de deboche entre todas as nações da terra?
9 Hebt gij vergeten de boosheden uwer vaderen, en de boosheden der koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem?
9 Será que vocês já esqueceram as maldades dos seus pais, as maldades dos reis de Judá, as maldades das suas mulheres, as maldades que vocês mesmos fizeram e as maldades que as mulheres de vocês fizeram, maldades cometidas na terra de Judá e nas ruas de Jerusalém?
10 Zij zijn tot op dezen dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht uwer vaderen gegeven heb.
10 Não se humilharam até o dia de hoje, não temeram, não andaram na minha lei nem nos meus estatutos, que pus diante de vocês e dos seus pais.”
11 Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade, en om gans Juda uit te roeien.
11 — Portanto, assim diz o Senhor dos Exércitos, o Deus de Israel: “Eis que voltarei o meu rosto contra vocês para trazer desgraça e para eliminar todo o povo de Judá.
12 En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot den grootste toe; door het zwaard en door den honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaadheid.
12 Farei com que o remanescente de Judá, que se obstinou em entrar na terra do Egito para morar, seja totalmente destruído. Cairá à espada e à fome; desde o menor até o maior perecerão; morrerão à espada e à fome. Serão objeto de maldição, de horror, de zombaria e de deboche.
13 Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie;
13 Porque castigarei os que moram na terra do Egito como castiguei Jerusalém: com a espada, a fome e a peste,
14 Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weder te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weder te keren, om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeren, behalve die ontkomen zullen.
14 de maneira que, dos restantes de Judá que vieram à terra do Egito para morar, não haverá quem escape e sobreviva para voltar à terra de Judá, à qual desejam voltar para morar; mas não voltarão a não ser alguns fugitivos.”
15 Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, mitsgaders al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende:
15 Então todos os homens que sabiam que as suas mulheres queimavam incenso a outros deuses e todas as mulheres que estavam ali em pé, uma grande multidão, e todo o povo que morava na terra do Egito, em Patros, disseram a Jeremias:
16 Aangaande het woord, dat gij tot ons in des HEEREN Naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen.
16 — Não obedeceremos à palavra que você nos anunciou em nome do Senhor .
17 Maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.
17 Pelo contrário, certamente faremos tudo o que dissemos que faríamos. Queimaremos incenso à Rainha dos Céus e lhe ofereceremos libações, como nós, nossos pais, nossos reis e nossas autoridades costumávamos fazer nas cidades de Judá e nas ruas de Jerusalém. Naquele tempo, tínhamos fartura de pão, prosperávamos e nenhum mal nos acontecia.
18 Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth des hemels te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd.
18 Mas, desde que paramos de queimar incenso à Rainha dos Céus e de lhe oferecer libações, tivemos falta de tudo e fomos consumidos pela espada e pela fome.
19 Ook wanneer wij aan Melecheth des hemels roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?
19 E as mulheres acrescentaram: — Quando nós queimávamos incenso à Rainha dos Céus e lhe oferecíamos libações, será que era sem o consentimento de nossos maridos que fizemos bolos para representá-la e lhe oferecemos libações?
20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem zulks geantwoord hadden, zeggende:
20 Então Jeremias se dirigiu a todo o povo, aos homens e às mulheres, a todo o povo que lhe tinha dado esta resposta, dizendo:
21 Het roken, dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en het volk des lands, heeft de HEERE daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen?
21 — Quanto ao incenso que vocês queimaram nas cidades de Judá e nas ruas de Jerusalém, vocês e os seus pais, os seus reis, as suas autoridades e o povo da terra, será que o Senhor não se lembrou disso nem lhe veio isso à mente?
22 Zodat het de HEERE niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, vanwege de gruwelen, die gij deedt; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage;
22 O Senhor já não podia por mais tempo suportar a maldade daquilo que vocês fizeram, as abominações que cometeram. Por isso, a terra de vocês se tornou uma ruína, objeto de horror e de maldição, um lugar desabitado, como hoje se vê.
23 Vanwege dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen den HEERE gezondigd hebt, en des HEEREN stem niet gehoorzaam zijt geweest, en in Zijn wet en in Zijn inzettingen, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.
23 Porque vocês queimaram incenso a outros deuses e pecaram contra o Senhor . Não obedeceram à voz do Senhor e não andaram na sua lei, nos seus estatutos e nos seus testemunhos. Foi por isso que lhes sobreveio este mal, como hoje se vê.
24 Voorts zeide Jeremia tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland zijt!
24 Jeremias disse mais a todo o povo e a todas as mulheres: — Escutem a palavra do
25 Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.
25 Assim diz o Senhor dos Exércitos, o Deus de Israel: “Vocês e as suas mulheres não somente declararam com a boca, mas também cumpriram com as suas mãos os votos que fizeram, a saber: ‘Certamente cumpriremos os nossos votos, que fizemos, de queimar incenso à Rainha dos Céus e de lhe oferecer libações.’ Pois bem, confirmem os votos que fizeram! Sim, cumpram o que prometeram!
26 Daarom hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij Mijn groten Naam, zegt de HEERE, zo Mijn Naam met den mond van enig man van Juda in gans Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zo waarachtig als de Heere HEERE leeft!
26 Mas escutem a palavra do Senhor , todos vocês do povo de Judá que vivem na terra do Egito: Eis que eu juro pelo meu grande nome, diz o Senhor , que o meu nome nunca mais será pronunciado por ninguém de Judá em toda a terra do Egito, dizendo: ‘Tão certo como vive o Senhor Deus.’
27 Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn.
27 Eis que vigiarei sobre eles para mal e não para bem. Todos os de Judá que estão na terra do Egito serão consumidos pela espada e pela fome, até que não fique ninguém.
28 Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het ganse overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.
28 Os que escaparem da espada voltarão da terra do Egito à terra de Judá, poucos em número; e todo o remanescente de Judá que veio à terra do Egito para morar ficará sabendo qual foi a palavra que se cumpriu, a minha ou a deles.
29 En dit zal ulieden het teken zijn, spreekt de HEERE, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat gij weet, dat Mijn woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade;
29 Este é o sinal que dou para vocês de que eu os castigarei neste lugar, diz o Senhor , para que saibam que as minhas palavras certamente se cumprirão contra vocês para mal.
30 Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal Farao Hofra, den koning van Egypte, geven in de hand zijner vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekia, den koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.
30 Eis o sinal, diz o Senhor : Eu entregarei o Faraó Hofra, rei do Egito, nas mãos de seus inimigos, nas mãos dos que querem matá-lo, assim como entreguei Zedequias, rei de Judá, nas mãos de Nabucodonosor, rei da Babilônia, que era seu inimigo e procurava tirar-lhe a vida.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 44, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.