Jeremias 42

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Toen traden toe alle oversten der heiren, Johanan, de zoon van Kareah, en Jezanja, de zoon van Hosaja, en al het volk, van den kleinste tot den grootste toe;
1 Então todos os chefes do exército e Joanã, filho de Careá, e Azarias , filho de Hosaías, e pessoas de todas as classes
2 En zij zeiden tot den profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot den HEERE, uw God, voor dit ganse overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;
2 vieram falar comigo. Disseram o seguinte: — Por favor, Jeremias, atenda o nosso pedido: ore ao
3 Dat ons de HEERE, uw God, bekend make den weg, dien wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen.
3 Ore ao Senhor , seu Deus, para que mostre o caminho que devemos seguir e o que devemos fazer.
4 En de profeet Jeremia zeide tot hen: Ik heb het gehoord; ziet, ik zal tot den HEERE, uw God, bidden naar uw woorden; en het zal geschieden, het ganse woord, dat de HEERE u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet een woord onthouden.
4 Eu respondi: — Está bem! Vou orar ao
5 Toen zeiden zij tot Jeremia: De HEERE zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord, met hetwelk u de HEERE, uw God, tot ons zal zenden, alzo zullen doen!
5 Então eles disseram: — Que o
6 Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des HEEREN, onzes Gods, tot Welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; opdat het ons welga, wanneer wij der stem des HEEREN, onzes Gods, zullen gehoorzaam zijn.
6 Gostemos ou não dessas ordens, nós obedeceremos ao Senhor , nosso Deus, com quem você vai falar em nosso favor. Se obedecermos ao Senhor , tudo correrá bem para nós.
7 En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des HEEREN woord tot Jeremia geschiedde.
7 Dez dias depois, o Senhor Deus falou comigo.
8 Toen riep hij Johanan, den zoon van Kareah, en alle oversten der heiren, die met hem waren, en al het volk, van den kleinste af tot den grootste toe;
8 Aí chamei Joanã, filho de Careá, e todos os chefes do exército que estavam com ele, e todo o povo — pessoas de todas as classes —
9 En hij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels, tot Welken gij mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:
9 e disse: — O
10 Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb berouw over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb.
10 “Se vocês quiserem continuar a viver nesta terra, eu edificarei a nação e não a destruirei; plantarei e não arrancarei. A destruição que fiz cair sobre vocês me deixou muito triste.
11 Vreest niet voor het aangezicht des konings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de HEERE; want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijn hand te redden.
11 Não tenham mais medo do rei da Babilônia, pois estou com vocês. Eu os salvarei e os livrarei do poder dele. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
12 En Ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme, en u weder in uw land brenge.
12 Terei pena de vocês e farei com que ele também tenha e deixe que vivam nesta terra.”
13 Maar zo gijlieden zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zijt,
13 — ausente —
14 Zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geen krijg zullen zien, noch het geluid der bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven;
14 — ausente —
15 Nu dan, daarom hoort des HEEREN woord, gij overblijfsel van Juda! Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Indien gij ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult henen ingaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren;
15 — ausente —
16 Zo zal het geschieden, dat het zwaard, waar gij voor vreest, u aldaar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar gij voor zorgt, zal u aldaar in Egypte achter aankleven, en gij zult aldaar sterven.
16 então vão ter de enfrentar a guerra, de que vocês têm medo. A fome que vocês temem vai segui-los, e vocês morrerão no Egito.
17 Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen.
17 Todos os que estiverem resolvidos a viver no Egito morrerão na guerra, ou de fome, ou de doença. Não sobrará ninguém; ninguém escapará da desgraça que farei cair sobre vocês.”
18 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzo zal Mijn grimmigheid over ulieden uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.
18 — O Senhor Todo-Poderoso, o Deus de Israel, diz: “Se vocês forem para o Egito, a minha ira e o meu furor cairão sobre vocês como caíram sobre o povo de Jerusalém. Vocês vão se tornar uma coisa horrível e espantosa. Os outros zombarão de vocês e usarão o seu nome para rogar pragas. E vocês nunca mais verão este lugar.”
19 De HEERE heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda! Gaat niet in Egypte; weet zekerlijk, dat ik heden tegen u betuigd heb.
19 E eu disse ainda: — O
20 Gewisselijk, gij hebt uw zielen verleid; want gij hebt mij tot den HEERE, uw God, gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den HEERE, onzen God, en naar alles, wat de HEERE, onze God, zal zeggen, alzo maak het ons bekend, en wij zullen het doen.
20 Vocês estão cometendo um erro que pode lhes custar a vida. Vocês me mandaram falar com o Senhor , nosso Deus, e me disseram: “Ore ao Senhor por nós. Depois, conte-nos tudo o que ele disser que devemos fazer, e nós faremos.”
21 Nu heb ik het u heden bekend gemaakt; maar gij hebt niet gehoord naar de stem des HEEREN, uws Gods, noch naar al hetgeen, met hetwelk Hij mij tot u gezonden heeft.
21 Agora, eu lhes contei tudo, mas vocês não estão obedecendo ao Senhor , nosso Deus, em nada do que ele me mandou dizer.
22 Zo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft henen te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.
22 Portanto, lembrem disto: vocês vão morrer na guerra, ou de fome, ou de doença na terra para onde querem ir e onde querem viver.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 42, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.