Jeremias 3

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
1 “Se um homem repudiar a sua mulher, e ela o deixar e se tornar esposa de outro homem, será que o primeiro marido poderá voltar para ela? Não seria aquela terra totalmente contaminada por causa disso? Ora, você se prostituiu com muitos amantes e ainda assim quer voltar para mim!” — diz o
2 Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
2 “Levante os olhos aos lugares altos e veja: onde você não se prostituiu? Na beira dos caminhos você se assentava à espera deles como o árabe se assenta no deserto. E assim você contaminou a terra com a sua prostituição e com a sua maldade.
3 Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.
3 É por isso que não tem chovido, e a chuva fora de época não veio. Mas você tem a fronte de prostituta e não quer se envergonhar.
4 Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!
4 Não é fato que agora mesmo você me invoca, dizendo: ‘Meu pai, tu és meu amigo desde a minha mocidade.
5 Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
5 Conservarás para sempre a tua ira? Ou a reterás até o fim?’ Sim, isso é o que você diz, mas comete maldade até não poder mais.”
6 Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josia: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israel gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.
6 Nos dias do rei Josias, o Senhor me disse: — Você viu o que fez a rebelde Israel? Foi a todos os montes altos e ficou debaixo de todas as árvores frondosas para entregar-se à prostituição.
7 En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda.
7 E, depois de ela ter feito tudo isso, eu pensei que ela voltaria para mim, mas não voltou. E a sua traiçoeira irmã Judá viu isso.
8 En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israel overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.
8 Quando, por causa de tudo isso, por ter ela cometido adultério, eu despedi a rebelde Israel e lhe dei carta de divórcio, vi que a irmã dela, a traiçoeira Judá, não ficou com medo, mas também ela foi e se entregou à prostituição.
9 Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.
9 E aconteceu que, pela facilidade com que se entregou à prostituição, ela contaminou a terra; porque adulterou, adorando pedras e árvores.
10 En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE.
10 Apesar de tudo isso, a irmã dela, a traiçoeira Judá, não voltou para mim de todo o coração, mas fingidamente, diz o Senhor .
11 Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israel heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.
11 O Senhor me disse: — A rebelde Israel se mostrou mais justa do que a traiçoeira Judá.
12 Gij henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israel! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden.
12 Vá, pois, e proclame estas palavras para o lado do Norte, dizendo: “Volte, ó rebelde Israel”, diz o “e não farei cair a minha ira sobre você, porque eu sou compassivo”, diz o “e não manterei para sempre a minha ira.
13 Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.
13 Tão somente reconheça a sua iniquidade, reconheça que você transgrediu contra o e que você se prostituiu com os estranhos debaixo de todas as árvores frondosas e não deu ouvidos à minha voz”, diz o
14 Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.
14 “Voltem para mim, ó filhos rebeldes”, diz o “Porque eu é que sou o esposo de vocês. Eu os tomarei, um de cada cidade e dois de cada família, e os levarei a Sião.”
15 En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand.
15 — Darei a vocês pastores segundo o meu coração, que os apascentem com conhecimento e com inteligência.
16 En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de HEERE, zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des HEEREN, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.
16 E, quando vocês se multiplicarem e se tornarem fecundos na terra, então, diz o Senhor , nunca mais se exclamará: “A arca da aliança do Senhor !” Ela não lhes virá à mente, não se lembrarão dela nem dela sentirão falta; e não se fará outra.
17 Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen, des HEEREN troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des HEEREN Naams wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
17 Naquele tempo, chamarão Jerusalém de “Trono do Senhor ”. Nela se reunirão todas as nações em nome do Senhor e já não andarão segundo a dureza do seu coração maligno.
18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israel; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.
18 Naqueles dias, a casa de Judá andará com a casa de Israel, e elas virão juntas da terra do Norte para a terra que dei em herança aos pais de vocês.
19 Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeren.
19 “Eu disse a mim mesmo: Como eu gostaria de colocá-la entre os filhos e dar-lhe a terra desejável, a mais bela herança das nações! Pensei que você me chamaria de ‘pai’ e não se desviaria de mim.
20 Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israels! spreekt de HEERE.
20 Mas, assim como a mulher que, com traição, se afasta do seu marido, assim você foi infiel para comigo, ó casa de Israel”, diz o
21 Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israels, omdat zij hun weg verkeerd, en den HEERE, hun God, vergeten hebben.
21 “Nos lugares altos, se ouve uma voz: o pranto e as súplicas dos filhos de Israel. Porque eles perverteram o seu caminho e se esqueceram do seu Deus.
22 Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!
22 Voltem, filhos rebeldes! Eu curarei as suas rebeliões.” O povo responde: “Eis-nos aqui! Vimos ter contigo, porque tu és o
23 Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israels heil!
23 Na verdade, não passa de ilusão o que vem das colinas, o barulho que vem das montanhas. Na verdade, a salvação de Israel está no
24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren.
24 Mas, desde a nossa juventude, a coisa vergonhosa devorou o trabalho de nossos pais: as suas ovelhas e o seu gado, os seus filhos e as suas filhas.
25 Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.
25 Devíamos nos prostrar em nossa vergonha, e deixar que a nossa desonra nos cubra, porque temos pecado contra o Senhor , nosso Deus, nós e nossos pais, desde a nossa mocidade até o dia de hoje; e não demos ouvidos à voz do Senhor , nosso Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.