Jeremias 37

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En Zedekia, zoon van Josia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jojakims zoon, welken Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda.
1 Zedequias, filho de Josias, a quem Nabucodonosor, rei da Babilônia, havia constituído rei na terra de Judá, reinou em lugar de Conias, filho de Jeoaquim.
2 Maar hij hoorde niet, hij, noch zijn knechten, noch het volk des lands, naar de woorden des HEEREN, die Hij sprak door den dienst van den profeet Jeremia.
2 Mas nem ele, nem os seus servos, nem o povo da terra deram ouvidos às palavras do Senhor , que ele falou por meio do profeta Jeremias.
3 Nochtans zond de koning Zedekia Juchal, den zoon van Selemja, en Sefanja, den zoon van Maaseja, den priester, tot den profeet Jeremia, om te zeggen: Bid toch voor ons tot den HEERE, onzen God!
3 Contudo, o rei Zedequias mandou que Jucal, filho de Selemias, e o sacerdote Sofonias, filho de Maaseias, fossem falar com o profeta Jeremias, para dizer: — Por favor, ore ao
4 (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.
4 Jeremias andava livremente entre o povo, porque ainda não tinha sido preso.
5 En Farao's heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeen, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen.)
5 O exército de Faraó tinha vindo do Egito. Quando os caldeus, que sitiavam Jerusalém, ouviram isso, retiraram-se dela.
6 Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremia, zeggende:
6 Então a palavra do Senhor veio ao profeta Jeremias, dizendo:
7 Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeren in zijn land, in Egypte;
7 — Assim diz o Senhor , Deus de Israel: Digam ao rei de Judá, que pediu que vocês viessem a mim, para me consultar: “Eis que o exército de Faraó, que saiu do Egito para socorrer vocês, voltará para a sua terra, no Egito.
8 En de Chaldeen zullen wederkeren, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden.
8 Então os caldeus voltarão a esta cidade. Eles lutarão contra ela, tomarão a cidade e a queimarão.
9 Zo zegt de HEERE: Bedriegt uw zielen niet, zeggende: De Chaldeen zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.
9 Assim diz o Senhor : Não se enganem, dizendo: ‘Sem dúvida, os caldeus irão embora.’ Porque eles não irão embora.
10 Want al sloegt gijlieden het ganse heir der Chaldeen, die tegen u strijden, en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, een iegelijk in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden.
10 Porque, ainda que vocês derrotassem todo o exército dos caldeus, que está lutando contra vocês, e ficassem deles apenas homens feridos, eles se levantariam, cada um na sua tenda, e queimariam esta cidade.”
11 Voorts geschiedde het, als het heir der Chaldeen van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's heir;
11 Quando o exército dos caldeus se havia retirado de Jerusalém, por causa do exército de Faraó,
12 Dat Jeremia uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land van Benjamin, om van daar te scheiden door het midden des volks.
12 Jeremias saiu de Jerusalém, a fim de ir à terra de Benjamim, para receber a sua parte de uma herança que tinha no meio do povo.
13 Als hij in de poort van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, wiens naam was Jerija, de zoon van Selemja, den zoon van Hananja; die greep den profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt tot de Chaldeen vallen!
13 Ao chegar ao Portão de Benjamim, achava-se ali um capitão da guarda, cujo nome era Jerias, filho de Selemias, filho de Hananias. O capitão prendeu o profeta Jeremias, dizendo: — Você está fugindo para o lado dos caldeus.
14 En Jeremia zeide: Het is vals, ik wil niet tot de Chaldeen vallen. Doch hij hoorde niet naar hem; maar Jerija greep Jeremia aan, en bracht hem tot de vorsten.
14 Jeremias respondeu: — É mentira! Não estou fugindo para o lado dos caldeus. Mas Jerias não lhe deu ouvidos; prendeu Jeremias e o levou às autoridades.
15 En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, ten huize van Jonathan, den schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt.
15 As autoridades, iradas contra Jeremias, açoitaram-no e o prenderam na casa de Jônatas, o escrivão. Essa casa tinha sido transformada em prisão.
16 Als Jeremia in de plaats des kuils, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia aldaar veel dagen gezeten had;
16 Assim, Jeremias foi levado às celas do calabouço, onde ficou por muitos dias.
17 Zo zond de koning Zedekia henen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgen, en zeide: Is er ook een woord van den HEERE? En Jeremia zeide: Er is; en hij zeide: Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden.
17 O rei Zedequias mandou trazê-lo para sua casa e, em secreto, lhe perguntou: — Há alguma palavra do Jeremias respondeu: — Há. E continuou: — O senhor, ó rei, será entregue nas mãos do rei da Babilônia.
18 Voorts zeide Jeremia tot den koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in het gevangenhuis gesteld hebt?
18 Então Jeremias perguntou ao rei Zedequias: — Em que pequei contra o senhor, ó rei, ou contra os seus servos, ou contra este povo, para que me pusessem na prisão?
19 Waar zijn nu ulieder profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen ulieden, noch tegen dit land komen.
19 Onde estão agora os profetas que lhes profetizavam, dizendo: “O rei da Babilônia não virá contra vocês, nem contra esta terra”?
20 Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen, en breng mij niet weder in het huis van Jonathan, den schrijver, opdat ik aldaar niet sterve.
20 E agora, ó rei, meu senhor, escute, e que a minha humilde súplica seja bem-acolhida! Não me mande de volta à casa de Jônatas, o escrivão, para que eu não venha a morrer ali.
21 Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof der bewaring, en men gaf hem des daags een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Alzo bleef Jeremia in het voorhof der bewaring.
21 Então o rei Zedequias ordenou que pusessem Jeremias no pátio da guarda. E, cada dia, davam-lhe um pão da Rua dos Padeiros, até acabar-se todo o pão da cidade. Assim Jeremias ficou no pátio da guarda.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 37, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.