Jeremias 34

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE (als Nebukadrezar, koning van Babel, en zijn ganse heir, en alle koninkrijken der aarde, die onder de heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende:
1 Palavra que foi dita a Jeremias da parte do Senhor , quando Nabucodonosor, rei da Babilônia, e todo o seu exército, e todos os reinos da terra que estavam debaixo do seu poder, e todos os povos lutavam contra Jerusalém e contra todas as cidades ao redor:
2 Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ga henen en spreek tot Zedekia, den koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.
2 — Assim diz o Senhor , Deus de Israel: Vá e diga a Zedequias, rei de Judá, que assim diz o Senhor : “Eis que entregarei esta cidade nas mãos do rei da Babilônia, o qual a queimará.
3 En gij zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen des konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en gij zult te Babel komen.
3 Você não escapará das mãos dele; pelo contrário, será preso e entregue nas suas mãos. Você verá o rei da Babilônia face a face, e ele falará com você pessoalmente. E você será levado para a Babilônia.”
4 Maar hoor des HEEREN woord, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt de HEERE van u: Gij zult door het zwaard niet sterven.
4 — No entanto, ouça a palavra do Senhor , ó Zedequias, rei de Judá: Assim diz o Senhor a respeito de você: “Você não morrerá à espada,
5 Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de HEERE.
5 mas morrerá em paz. Queimarão perfumes em sua honra, como queimaram em honra aos seus pais, os reis que o precederam. E eles o prantearão, dizendo: ‘Ai, senhor!’ Pois sou eu quem está dizendo isto”, diz o Senhor .
6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, den koning van Juda, te Jeruzalem.
6 O profeta Jeremias falou todas estas palavras a Zedequias, rei de Judá, em Jerusalém,
7 Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.
7 quando o exército do rei da Babilônia lutava contra Jerusalém e contra as cidades de Judá que ainda restavam, a saber, Laquis e Azeca; porque de todas as cidades fortificadas de Judá só estas haviam ficado.
8 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.
8 Palavra que foi dita a Jeremias da parte do Senhor , depois que o rei Zedequias fez aliança com todo o povo de Jerusalém, para lhes apregoar liberdade:
9 Dat een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, zijnde een Hebreer of een Hebreinne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broeder, zou doen dienen.
9 que cada um libertasse os seus escravos hebreus e que cada um libertasse as suas escravas hebreias, de maneira que ninguém tivesse como escravo um judeu, seu compatriota.
10 Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;
10 Todas as autoridades e todo o povo que haviam entrado na aliança obedeceram, libertando cada um os seus escravos e cada um as suas escravas, de maneira que já não os retiveram como escravos; obedeceram e os despediram.
11 Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.
11 Mas depois mudaram de ideia, e fizeram voltar os escravos e as escravas que haviam libertado, e os sujeitaram outra vez à escravidão.
12 Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
12 A palavra do Senhor veio a Jeremias, da parte do Senhor , dizendo:
13 Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:
13 — Assim diz o Senhor , Deus de Israel: Eu fiz uma aliança com os pais de vocês, no dia em que os tirei da terra do Egito, da casa da servidão, dizendo:
14 Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreer, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.
14 “Ao fim de sete anos, cada um deve libertar o seu compatriota hebreu que tiver sido vendido a vocês como escravo; depois que ele o tiver servido durante seis anos, você lhe dará a liberdade.” Mas os pais de vocês não me deram ouvidos, nem atenderam.
15 Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.
15 Há pouco vocês tinham voltado a fazer o que é reto aos meus olhos, apregoando liberdade cada um ao seu próximo. Vocês tinham feito uma aliança diante de mim, no templo que se chama pelo meu nome.
16 Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hun lust; en gij hebt hen ten ondergebracht, om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.
16 Mas agora vocês mudaram de ideia e profanaram o meu nome, pois fizeram voltar os escravos e as escravas que haviam libertado conforme a vontade deles e os sujeitaram outra vez à escravidão.
17 Daarom zegt de HEERE alzo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijn broeder, en een iegelijk voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de HEERE, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde.
17 — Portanto, assim diz o Senhor : Vocês não me deram ouvidos e não apregoaram liberdade, cada um a seu compatriota e cada um ao seu próximo. Por isso, eis que eu apregoo liberdade para vocês, diz o Senhor , liberdade para a espada, para a peste e para a fome. Farei de vocês um objeto de espanto para todos os reinos da terra.
18 En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeen hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:
18 Farei com os homens que transgrediram a minha aliança e não cumpriram as palavras da aliança que fizeram diante de mim o mesmo que eles fizeram com o bezerro que cortaram ao meio, para passarem entre as duas partes.
19 De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.
19 As autoridades de Judá e de Jerusalém, os oficiais, os sacerdotes e todo o povo da terra, esses que passaram entre as duas partes do bezerro,
20 Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.
20 eu os entregarei nas mãos de seus inimigos e nas mãos dos que procuram tirar-lhes a vida, e os cadáveres deles servirão de alimento às aves dos céus e aos animais selvagens.
21 Zelfs Zedekia, den koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen.
21 Quanto a Zedequias, rei de Judá, e aos seus oficiais, eu os entregarei nas mãos de seus inimigos e nas mãos dos que procuram tirar-lhes a vida, nas mãos do exército do rei da Babilônia, que já se retirou de vocês.
22 Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de HEERE, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.
22 Eis que eu darei ordem, diz o Senhor , e os farei voltar a esta cidade. Eles lutarão contra ela, tomarão a cidade e a queimarão. Farei com que as cidades de Judá fiquem em ruínas e sem moradores.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 34, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.