Jeremias 31

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
1 O Senhor Deus diz: — Está chegando o tempo em que eu serei o Deus de todas as
2 Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.
2 No deserto, tive pena daqueles que haviam escapado da morte. Quando o povo de Israel procurava descanso,
3 De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
3 eu, vindo de longe, apareci a eles. Povo de Israel, eu sempre os amei e continuo a mostrar que o meu amor por vocês é eterno.
4 Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.
4 Eu construirei de novo a nação. Mais uma vez, vocês pegarão os seus tamborins e dançarão de alegria.
5 Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.
5 Mais uma vez, vocês farão plantações de uva nos montes de Samaria, e quem plantar colherá as frutas.
6 Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!
6 Está chegando o tempo em que os vigias gritarão nas montanhas de Efraim: “Venham! Vamos subir até Sião , onde está o Senhor , nosso Deus!”
7 Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel.
7 O Senhor diz: “Cantem de alegria por causa de Israel, a maior de todas as nações. Cantem este hino de louvor: ‘O ele livrou o resto do povo de Israel.’
8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
8 Eu os trarei do Norte e os ajuntarei dos lugares mais distantes da terra. Com eles virão os cegos e os aleijados, as mulheres grávidas e as que estão para dar à luz. Eles vão voltar como uma grande nação.
9 Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene.
9 Quando eu os trouxer, eles virão chorando e orando. Eu os levarei para a beira de águas correntes, por uma estrada plana, onde não tropeçarão. Sou como um pai para Israel, e Efraim é o meu filho mais velho.”
10 Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
10 O Senhor diz ainda: “Nações, escutem o que eu, o e anunciem as minhas palavras nas ilhas e terras distantes. Eu espalhei o povo de Israel, mas vou ajuntá-lo de novo e guardá-lo como um pastor guarda o seu rebanho.
11 Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.
11 Eu libertei os descendentes de Jacó e os salvei das mãos de uma nação mais forte do que eles.
12 Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
12 E vão chegar e cantar de alegria no monte Sião; vão se alegrar com os meus presentes, com os cereais, o vinho, o azeite, o gado e os carneiros. Eles serão como um jardim bem-regado e terão tudo o que precisarem.
13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.
13 Então as moças, os moços e os velhos vão dançar e se alegrar. Eu os animarei e mudarei o seu choro em alegria e a sua tristeza em prazer.
14 En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.
14 Alimentarei os sacerdotes com muita comida boa e darei ao meu povo tudo o que precisar. Eu, o
15 Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
15 O Senhor diz: “Ouviu-se um som em Ramá, o som de um choro amargo. Era Raquel chorando pelos seus filhos; ela não quer ser consolada, pois todos estão mortos.
16 Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.
16 Pare de chorar e enxugue as suas lágrimas. Tudo o que você fez pelos seus filhos será recompensado; eles voltarão da terra do inimigo. Sou eu, o
17 En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.
17 Há esperança para você no futuro; os seus filhos voltarão para casa. Sou eu, o
18 Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!
18 “Escuto estas queixas do povo de Israel: ‘Ó Deus, nós éramos como touros novos ainda não amansados, mas tu nos ensinaste a obedecer. Faze-nos voltar, ó Deus, e voltaremos a ti, pois tu és o
19 Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
19 Nós nos afastamos de ti, mas logo nos arrependemos. Depois que nos castigaste, curvamos a nossa cabeça em sinal de tristeza.’
20 Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.
20 “Povo de Israel, você é o meu filho querido, o filho que eu mais amo. Sempre que digo o seu nome, penso em você com amor. O meu coração se comove, e eu certamente terei misericórdia de você. Sou eu, o
21 Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!
21 Ponha avisos e marque a estrada; repare bem no caminho por onde você passar. Volte, povo de Israel, volte para as cidades que eram suas.
22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.
22 Povo rebelde, até quando você vai ficar na dúvida? Eu, o uma mulher protegendo um homem.”
23 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!
23 O Senhor Todo-Poderoso, o Deus de Israel, diz: — Quando eu trouxer os israelitas de volta à sua pátria, eles de novo dirão na terra de Judá e nas suas cidades: “Que o onde ele, o Deus de justiça, mora.”
24 En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.
24 O povo viverá em Judá e em todas as suas cidades; e haverá lavradores e também pastores com os seus rebanhos.
25 Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
25 Eu animarei os cansados e darei comida a todos os que estão fracos de fome.
26 (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
26 Então eu acordei descansado e bem-disposto.
27 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.
27 — Eu, o Senhor , digo que está chegando o tempo em que encherei de gente e de animais as terras de Israel e de Judá.
28 En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.
28 Assim como cuidei deles para arrancar, derrubar, arruinar, destruir e arrasar, assim também cuidarei deles para plantar e construir. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.
29 Quando esse tempo chegar, o povo não dirá mais: “Os pais comeram uvas verdes, mas foram os dentes dos filhos que ficaram ásperos.”
30 Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
30 Pelo contrário, quem comer uvas verdes é que vai ficar com os dentes ásperos; e cada um morrerá por causa do seu próprio pecado.
31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
31 O Senhor Deus diz: — Está chegando o tempo em que farei uma nova
32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;
32 Essa aliança não será como aquela que eu fiz com os antepassados deles no dia em que os peguei pela mão e os tirei da terra do Egito. Embora eu fosse o Deus deles, eles quebraram a minha aliança. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
33 Quando esse tempo chegar, farei com o povo de Israel esta aliança: eu porei a minha lei na mente deles e no coração deles a escreverei; eu serei o Deus deles, e eles serão o meu povo. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
34 En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.
34 Ninguém vai precisar ensinar o seu patrício nem o seu parente, dizendo: “Procure conhecer a Deus, o Senhor .” Porque todos me conhecerão, tanto as pessoas mais importantes como as mais humildes. Pois eu perdoarei os seus pecados e nunca mais lembrarei das suas maldades. Eu, o Senhor , estou falando.
35 Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:
35 O Senhor fez o sol para ser a luz do dia, a lua e as estrelas para brilharem de noite. Deus faz o mar ficar bravo e faz rugir as suas ondas; o seu nome é
36 Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
36 Ele promete que, enquanto durarem as leis da natureza, Israel será sempre uma nação.
37 Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
37 Se algum dia for possível medir os céus e examinar os alicerces da terra, então eu rejeitarei o povo de Israel por causa de tudo o que ele tem feito. O
38 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.
38 — Está chegando o tempo — diz o Senhor — em que esta cidade será construída de novo, desde a torre de Hananel até o Portão da Esquina.
39 En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
39 Dali a linha da divisa continuará até o monte Garebe e daí vai virar na direção de Goa.
40 En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.
40 Será sagrado para mim, o Senhor , o vale todo onde são jogados os mortos e o lixo. Serão sagrados também todos os campos que ficam além do riacho do Cedrom até o Portão dos Cavalos, a leste. Nunca mais Jerusalém será derrubada, nem destruída.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 31, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.