Jeremias 30

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
1 Palavra que foi dita a Jeremias da parte do Senhor :
2 Zo spreekt de HEERE, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.
2 — Assim diz o Senhor , Deus de Israel: Escreva num livro todas as palavras que eu lhe falei.
3 Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.
3 Porque eis que vêm dias, diz o Senhor , em que mudarei a sorte do meu povo de Israel e de Judá, diz o Senhor . Farei com que voltem para a terra que dei aos seus pais, e eles a possuirão.
4 En dit zijn de woorden, die de HEERE gesproken heeft van Israel en van Juda.
4 São estas as palavras que o Senhor falou a respeito de Israel e de Judá:
5 Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede.
5 Assim diz o Senhor : “Ouvimos um grito de terror, um grito de medo e não de paz.
6 Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?
6 Perguntem e vejam se um homem pode dar à luz uma criança? Por que, então, vejo todos esses homens com as mãos na cintura, como se fossem uma mulher que está dando à luz? E por que se tornaram pálidos todos os rostos?
7 O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.
7 Ah! Que grande é aquele dia, e não há outro semelhante! É tempo de angústia para Jacó, mas ele será salvo dela.”
8 Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.
8 — Naquele dia, diz o Senhor dos Exércitos, eu quebrarei o jugo que está sobre o pescoço de vocês e despedaçarei as correias. E nunca mais estrangeiros irão escravizar este povo,
9 Maar zij zullen dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.
9 que servirá ao Senhor , seu Deus, e também a Davi, que lhes darei como rei.
10 Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israel! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.
10 “Portanto, não tenha medo, meu servo Jacó”, diz o “nem se atemorize, ó Israel. Pois eis que eu o livrarei dessa terra distante e salvarei a sua descendência da terra do exílio. Jacó voltará e ficará tranquilo e sossegado; e não haverá quem o atemorize.
11 Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.
11 Porque eu estou com você para salvá-lo”, diz o “Por isso, destruirei completamente todas as nações por onde o espalhei. A você eu não destruirei completamente, mas castigarei em justa medida; de modo nenhum deixarei você impune.”
12 Want zo zegt de HEERE: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk.
12 Porque assim diz o Senhor : “A sua ferida é incurável, o seu ferimento é grave.
13 Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.
13 Não há quem defenda a sua causa; não há remédio nem cura para a sua ferida.
14 Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.
14 Todos os seus amantes se esqueceram de você; já não perguntam por você. Porque eu a feri como se você fosse um inimigo; o castigo foi cruel, por causa da grandeza da sua maldade e da multidão dos seus pecados.
15 Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.
15 Por que você grita por causa da sua ferida? Essa sua dor é incurável. Por causa da grandeza de sua maldade e da multidão dos seus pecados é que eu fiz estas coisas.
16 Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven.
16 Por isso, todos os que a devoram serão devorados, e todos os seus inimigos serão levados, cada um deles para o cativeiro. Aqueles que a despojam serão despojados, e entregarei ao saque todos os que a saqueiam.
17 Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.
17 Porque restaurarei a sua saúde e curarei as suas feridas”, diz o “Porque chamaram você de repudiada, dizendo: ‘É Sião, ninguém mais pergunta por ela.’”
18 Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.
18 Assim diz o Senhor : “Eis que restaurarei a sorte das tendas de Jacó e me compadecerei das suas moradas. A cidade será reedificada sobre o seu montão de ruínas, e o palácio será habitado outra vez.
19 En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem der spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.
19 De lá sairão ações de graças e os gritos dos que se alegram. Eu os multiplicarei, e não serão diminuídos; eu os glorificarei, e não serão desprezados.
20 En zijn zonen zullen zijn als eertijds, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.
20 Os seus filhos serão como antigamente, e a sua congregação será firmada diante de mim; e castigarei todos os seus opressores.
21 En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE.
21 O seu príncipe procederá deles, do meio deles sairá aquele que há de reinar. Farei com que ele se aproxime, e ele chegará perto de mim; pois quem por si mesmo ousaria aproximar-se de mim?” — diz o
22 En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.
22 “Vocês serão o meu povo, e eu serei o seu Deus.”
23 Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.
23 Eis a tempestade do Senhor ! O furor saiu, uma tempestade passou sobre a cabeça dos ímpios.
24 De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.
24 O furor da ira do Senhor não se desviará até que ele execute e cumpra os desígnios do seu coração. Nos últimos dias, vocês entenderão isso.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 30, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.