Jeremias 2

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1 A palavra do Senhor veio a mim, dizendo:
2 Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.
2 — Vá e proclame diante do povo de Jerusalém: Assim diz o “Lembro-me de você, meu povo, da sua afeição quando era jovem, do seu amor quando noiva e de como você me seguia no deserto, numa terra que não é semeada.
3 Israel was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt de HEERE.
3 Israel era consagrado ao Senhor e era as primícias da sua colheita; todos os que o devoraram se faziam culpados; o mal vinha sobre eles”, diz o
4 Hoort des HEEREN woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van het huis Israels!
4 Escutem a palavra do Senhor , ó casa de Jacó e todas as famílias da casa de Israel.
5 Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden?
5 Assim diz o Senhor : “Que injustiça os pais de vocês acharam em mim, para que se afastassem de mim, seguindo os ídolos sem valor e se tornando eles mesmos sem valor?
6 En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
6 Eles não perguntaram: ‘Onde está o que nos tirou da terra do Egito e nos guiou pelo deserto, por uma terra árida e cheia de covas, por uma terra de sequidão e sombras de morte, por uma terra em que ninguém passava e na qual não morava ninguém?’
7 En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij Mijn land, en steldet Mijn erfenis tot een gruwel.
7 Eu os trouxe para uma terra fértil, para que vocês comessem o seu fruto e as coisas boas que ela tem. Mas, depois de entrar, vocês contaminaram a minha terra e fizeram da minha herança uma abominação.
8 De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baal, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
8 Os sacerdotes não perguntaram: ‘Onde está o E os que tratavam da lei não me conheceram, os pastores se revoltaram contra mim, os profetas profetizaram por Baal e andaram atrás de coisas que não têm proveito algum.”
9 Daarom zal Ik nog met ulieden twisten, spreekt de HEERE; ja, met uw kindskinderen zal Ik twisten.
9 “Portanto, ainda entrarei em litígio com vocês”, diz o “e até com os filhos dos filhos de vocês entrarei em litígio.
10 Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?
10 Vão até as terras do mar de Chipre e vejam; mandem mensageiros a Quedar e observem com atenção. Vejam se já aconteceu coisa semelhante.
11 Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in hetgeen geen nut doet.
11 Houve alguma nação que trocasse os seus deuses, mesmo que não fossem deuses de verdade? Mas o meu povo trocou a sua Glória por aquilo que não tem proveito algum.
12 Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE.
12 Fiquem espantados com isto, ó céus! Fiquem horrorizados e cheios de espanto”, diz o
13 Want Mijn volk heeft twee boosheden begaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
13 “Porque o meu povo cometeu dois males: abandonaram a mim, a fonte de água viva, e cavaram cisternas, cisternas rachadas, que não retêm as águas.”
14 Is dan Israel een knecht, of is hij een ingeborene des huizes? Waarom is hij dan ten roof geworden?
14 “Por acaso Israel é escravo ou servo nascido em casa? Por que, então, veio a ser presa de outros?
15 De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.
15 Os leões novos rugiram contra ele e levantaram a sua voz. Fizeram da terra de Israel uma desolação; as suas cidades estão queimadas, e não há quem nelas habite.
16 Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes den schedel afgeweid.
16 Até os moradores de Mênfis e de Tafnes raparam o alto da cabeça de Israel.
17 Doet gij dit niet zelven, doordien gij den HEERE, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt?
17 Por acaso isso não aconteceu com você porque você abandonou o quando ele o guiava pelo caminho?
18 En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken?
18 E, agora, que lucro você terá indo ao Egito para beber as águas do Nilo? Ou indo à Assíria para beber as águas do Eufrates?
19 Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen.
19 A sua própria maldade o castigará, e as suas infidelidades o repreenderão. Saiba, pois, e veja como é mau e quão amargo é deixar o e não ter temor de mim”, diz o Senhor, o
20 Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder allen groenen boom loopt gij om, hoererende.
20 “Porque há muito tempo quebrei o seu jugo e rompi as ataduras que o prendiam, mas você disse: ‘Não quero te servir.’ Pois, em todos os montes altos e debaixo de todas as árvores frondosas, você se deitava e se prostituía.
21 Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok?
21 Eu mesmo a plantei como videira excelente, da semente mais pura. Como, então, você se tornou uma planta degenerada, como de videira brava?
22 Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.
22 Mesmo que você se lave com salitre e use muito sabão, a mancha da sua iniquidade continua diante de mim”, diz o
23 Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baals niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!
23 “Como é que você pode dizer: ‘Não estou manchada, nem fui atrás dos baalins’? Veja os seus rastros no vale e reconheça o que você fez! Você é como uma jovem camela de pés ligeiros, que anda ziguezagueando pelo caminho.
24 Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden.
24 Você é como uma jumenta selvagem, acostumada ao deserto e que, no ardor do cio, fareja o vento. Quem a impediria de satisfazer o seu desejo? Os que a procuram não têm de fatigar-se; no mês dela a acharão.
25 Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!
25 Evite andar por aí com pés descalços e não deixe a sua garganta com sede. Mas você diz: ‘Não! É inútil! Porque amo os estranhos e é atrás deles que eu vou.’”
26 Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, alzo zijn die van het huis Israels beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten;
26 “Como um ladrão se envergonha quando o apanham, assim ficarão envergonhados os da casa de Israel: eles, os seus reis, os seus príncipes, os seus sacerdotes e os seus profetas.
27 Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.
27 Eles dizem a um pedaço de madeira: ‘Você é o meu pai’, e à pedra: ‘Você me deu à luz’. Pois me viraram as costas e não o rosto; mas, na hora da angústia, dizem: ‘Levanta-te e salva-nos!’
28 Waar zijn dan uw goden, die gij u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal uwer steden zijn uw goden, o Juda!
28 Onde estão os deuses que vocês fizeram para vocês mesmos? Eles que se levantem, se é que podem salvá-los na hora da calamidade! Porque os seus deuses, ó Judá, são tantos quantas as suas cidades.”
29 Waarom twist gij tegen Mij? Gij hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt de HEERE.
29 “Por que vocês querem discutir comigo? Todos vocês transgrediram contra mim”, diz o
30 Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdorven leeuw.
30 “Em vão castiguei os filhos de vocês; eles não aceitaram a minha disciplina. Como leão destruidor, a espada que está na mão de vocês devorou os seus profetas.
31 O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?
31 Vocês, desta geração, considerem a palavra do Será que eu tenho sido um deserto para Israel? Ou uma terra da mais espessa escuridão? Por que, então, o meu povo diz: ‘Somos livres para fazer o que quisermos! Jamais voltaremos para ti’?
32 Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.
32 Por acaso, uma virgem se esquece dos seus enfeites? Ou uma noiva se esquece do seu véu? Mas o meu povo se esqueceu de mim por dias sem fim.”
33 Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.
33 “Como você sabe dispor bem os seus caminhos, para buscar o amor! Pois você poderia ensinar até as mulheres perdidas.
34 Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uw zomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle die.
34 Nas bordas das suas roupas se achou também o sangue de pobres e inocentes, que não foram surpreendidos no ato de roubar. Apesar de todas estas coisas,
35 Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.
35 você ainda diz: ‘Estou inocente. Certamente a sua ira se desviou de mim.’ Eis que entrarei em juízo contra você, porque você diz: ‘Não pequei.’
36 Wat reist gij veel uit, veranderende uw weg? Gij zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt.
36 Por que você é tão leviana e fica sempre mudando de rumo? Também pelo Egito você será envergonhada, assim como foi envergonhada pela Assíria.
37 Gij zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want de HEERE heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat gij daarmede niet zult gedijen.
37 Também do Egito você sairá com as mãos sobre a cabeça. Porque o aqueles em quem você confia, e você não será bem-sucedida com a ajuda deles.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.