Jeremias 25

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadrezar, koning van Babel);
1 No quarto ano do reinado de Jeoaquim, filho de Josias, em Judá, eu recebi do Senhor uma mensagem a respeito de todo o povo de Judá. Isso aconteceu no primeiro ano do reinado de Nabucodonosor, da Babilônia.
2 Hetwelk de profeet Jeremia gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:
2 Eu disse a todo o povo de Judá e a todos os moradores de Jerusalém:
3 Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.
3 — Durante vinte e três anos, desde o ano décimo terceiro do reinado de Josias, filho de Amom, em Judá, até hoje, o Senhor Deus tem falado comigo, e eu sempre lhes tenho contado o que ele diz. Mas vocês não têm dado atenção.
4 Ook heeft de HEERE tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);
4 Vocês não ouviram, nem deram atenção, embora o Senhor continuasse a enviar os seus servos , os profetas .
5 Zeggende: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw;
5 Eles disseram que vocês deviam abandonar a vida errada que estão levando e as coisas más que estão fazendo. Assim poderiam continuar a viver na terra que Deus deu a vocês e aos seus antepassados para ser sua propriedade para sempre.
6 En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.
6 Os profetas disseram que vocês não deviam andar procurando outros deuses para adorar, que não deviam fazer o Senhor ficar irado por causa dos ídolos que vocês fizeram.
7 Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, u zelven ten kwade.
7 Mas o Senhor mesmo diz que vocês não quiseram ouvi-lo. Pelo contrário, fizeram com que o Senhor ficasse irado por causa dos seus ídolos e por isso vocês foram castigados.
8 Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen; Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;
8 — Portanto, porque vocês não quiseram escutar as suas palavras, o Senhor Todo-Poderoso diz:
9 Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrezar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
9 “Eu mandarei buscar todos os povos do Norte e também meu servo, o rei Nabucodonosor, da Babilônia. Vou trazer esses povos para lutarem contra os moradores desta terra de Judá e contra todas as nações vizinhas. Eu as destruirei completamente; elas ficarão arrasadas para sempre e serão um espetáculo horrível e assustador. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
10 En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.
10 Vou acabar com os seus gritos de alegria e de felicidade e com o barulho alegre das festas de casamento. Vocês não terão mantimento para comer nem azeite para as lamparinas.
11 En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.
11 Toda esta terra ficará arrasada e será um espetáculo horrível. Todas estas nações serão dominadas pelo rei da Babilônia durante setenta anos.
12 Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeen, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.
12 Depois disso, eu castigarei o rei da Babilônia e a sua nação por causa do pecado deles. Destruirei o seu país e o deixarei arrasado para sempre. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
13 En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.
13 Castigarei aquela nação com tudo aquilo que ameacei fazer, com todas as coisas escritas neste livro, as coisas que Jeremias falou contra todas estas nações.
14 Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; alzo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen.
14 Eles se tornarão escravos de muitas nações e de reis poderosos e assim eles me pagarão por tudo aquilo que fizeram.”
15 Want alzo heeft de HEERE, de God Israels, tot mij gezegd: Neem dezen beker des wijns der grimmigheid van Mijn hand, en geef dien te drinken al den volken, tot welke Ik u zende;
15 O Senhor , o Deus de Israel, me disse: — Aqui está um copo cheio do vinho da minha
16 Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden.
16 Quando beberem, tremerão e ficarão loucos por causa da guerra que mandarei contra eles.
17 En ik nam den beker van des HEEREN hand, en ik gaf te drinken al den volken, tot welke de HEERE mij gezonden had;
17 Então peguei o copo da mão do Senhor , e fiz com que bebessem dele todos os povos aos quais o Senhor me havia mandado.
18 Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te dezen dage;
18 Tanto Jerusalém como todas as cidades de Judá, junto com os seus reis e as suas autoridades, tiveram de beber. Beberam para se transformar num deserto, num espetáculo horrível e assustador, do qual as pessoas falam para rogar pragas. E isso é o que se vê hoje . O rei do Egito, os seus oficiais e as suas autoridades; todos os egípcios e todos os estrangeiros no Egito; todos os reis da terra de Uz; todos os governadores das cidades dos filisteus: Asquelom, Gaza, Ecrom e o que resta de Asdode; todo o povo de Edom, Moabe e Amom; todos os reis de Tiro e de Sidom; todos os reis das terras que ficam no litoral do mar Mediterrâneo; as cidades de Dedã, Temá e Buz; todos os povos que cortam curto o cabelo ; todos os reis da Arábia; todos os reis das tribos do deserto; todos os reis de Zinri, Elão e Média; todos os reis do Norte, de longe e de perto, um depois do outro. Todas as nações do mundo tiveram de beber. E o último que vai beber será o rei da Babilônia.
19 Farao, den koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk;
19 — ausente —
20 En den gansen gemengden hoop, en allen koningen des lands van Uz; en allen koningen van der Filistijnen land, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
20 — ausente —
21 Edom, en Moab, en den kinderen Ammons;
21 — ausente —
22 En allen koningen van Tyrus, en allen koningen van Sidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.
22 — ausente —
23 Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
23 — ausente —
24 En allen koningen van Arabie; en allen koningen des gemengden hoops, die in de woestijn wonen;
24 — ausente —
25 En allen koningen van Zimri, en allen koningen van Elam, en allen koningen van Medie;
25 — ausente —
26 En allen koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, den een met den anderen; ja, allen koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.
26 — ausente —
27 Gij zult dan tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat gij niet weder opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden.
27 Aí Deus me disse: — Diga ao povo que eu, o
28 En het zal geschieden, wanneer zij weigeren zullen den beker van uw hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Gij zult zekerlijk drinken!
28 E, se eles não quiserem pegar o copo da sua mão, Jeremias, se recusarem beber, diga que o Senhor Todo-Poderoso disse que eles serão obrigados a beber.
29 Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig gehouden worden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners der aarde, spreekt de HEERE der heirscharen.
29 Começarei a destruição pela minha própria cidade. Será que eles estão pensando que vão escapar do castigo? De jeito nenhum! Eles serão castigados, pois eu mandarei guerra a todos os povos do mundo. Eu, o Senhor Todo-Poderoso, estou falando.
30 Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zeggen: De HEERE zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijner heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiven treders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde.
30 — Você, Jeremias, anuncie tudo o que eu disse. Diga a este povo o seguinte: “O e falar lá do lugar santo onde mora. Ele trovejará contra o seu povo, gritará como aqueles que pisam uvas para fazer vinho. E todos na terra o ouvirão.
31 Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de HEERE heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de HEERE.
31 O estrondo será ouvido no mundo inteiro, pois Deus tem uma acusação para fazer contra as nações. Ele julgará todas as pessoas e matará os maus. O
32 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk. en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.
32 O Senhor Todo-Poderoso diz que a desgraça passará de uma nação para outra e que uma grande tempestade está se formando nos fins da terra.
33 En de verslagenen des HEEREN zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op den aardbodem zullen zij zijn.
33 Naquele dia, os corpos daqueles que o Senhor matou serão espalhados pelo mundo inteiro. Ninguém chorará por eles. Os corpos deles não serão recolhidos, nem sepultados: ficarão largados no chão, como esterco.
34 Huilt, gij herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, gij heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult gij vervallen als een kostelijk vat.
34 Vocês, autoridades, gritem! Vocês que guiam o rebanho do meu povo, gritem bem alto! Chorem e rolem no pó! Chegou a hora de vocês serem mortos: vocês cairão mortos como se fossem carneiros escolhidos.
35 En de vlucht zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken der kudde.
35 Os líderes do povo não escaparão, nem se salvarão. Eles gritam e gemem de aflição, pois Deus, na sua ira, destruiu a nação deles e arrasou as suas terras tão cheias de paz.
36 Er zal zijn een stem des geroeps der herderen, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de HEERE hun weide verstoort.
36 — ausente —
37 Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden, vanwege de hittigheid des toorns des HEEREN.
37 — ausente —
38 Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hunlieder land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hittigheid des verdrukkers, ja, vanwege de hittigheid Zijns toorns.
38 Deus abandonou o seu povo como um leão que abandona a sua cova. Os horrores da guerra e a violenta ira de Deus transformaram o país num deserto.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 25, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.