Jeremias 16

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1 O Senhor Deus falou comigo novamente. Ele disse:
2 Gij zult u geen vrouw nemen, en gij zult geen zonen noch dochteren hebben in deze plaats.
2 — Não case, nem tenha filhos neste lugar.
3 Want zo zegt de HEERE van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:
3 Eu vou lhe dizer o que acontecerá com os filhos e as filhas que nascerem aqui, e também com as mães que os tiverem e com os pais que os gerarem.
4 Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op den aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.
4 Eles morrerão de doenças horríveis. Ninguém chorará a morte deles, e não serão sepultados. Ficarão espalhados pelo chão como esterco. Serão mortos na guerra ou então morrerão de fome, e os seus corpos serão comidos pelas aves e pelos animais selvagens.
5 Want zo zegt de HEERE: Ga niet in het huis desgenen, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt de HEERE) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden;
5 — Não entre numa casa onde tenha gente chorando. Não fique triste, nem chore por causa de ninguém. Pois eu não abençoarei mais esse povo com a minha paz; não os amarei mais, nem terei pena deles. Sou eu, o Senhor , quem está falando.
6 Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
6 Tanto os ricos como os pobres morrerão nesta terra, mas ninguém vai sepultá-los, nem chorar por eles. Ninguém se cortará, nem rapará a cabeça em sinal de tristeza.
7 Ook zal men hun niets uitdelen over den rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit den troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.
7 Ninguém comerá, nem beberá junto com uma pessoa para a consolar pela morte de um querido. Ninguém mostrará simpatia, nem mesmo por uma pessoa que tenha perdido o seu pai ou a sua mãe.
8 Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.
8 — Também não entre numa casa em que haja festa. Não se sente, e não coma, nem beba com eles.
9 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem der vreugde en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid.
9 Escute aquilo que eu, o Senhor Todo-Poderoso, o Deus de Israel, estou dizendo. Vou acabar com os gritos de alegria e de felicidade e com o barulho alegre das festas de casamento. E vocês verão tudo isso acontecer neste lugar.
10 En het zal geschieden, als gij dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt de HEERE al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen den HEERE, onzen God, gezondigd hebben?
10 — Quando você anunciar essas coisas, eles vão perguntar por que foi que resolvi castigá-los tanto assim. Eles vão perguntar: “De que crime somos culpados e que pecado cometemos contra o Senhor , nosso Deus?”
11 Dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt de HEERE, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die nedergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben;
11 Então você dirá que a resposta do Senhor é esta: “Os seus antepassados me abandonaram, e foram atrás de outros deuses, e os serviram, e adoraram. Eles me deixaram e não obedeceram aos meus ensinamentos.
12 En gijlieden erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, gijlieden wandelt, een iegelijk naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.
12 Mas vocês fizeram pior do que os seus antepassados. Todos vocês são teimosos e maus e não querem me obedecer.
13 Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven.
13 Por isso, eu os expulsarei desta terra e os jogarei numa terra que nem vocês nem os seus antepassados conheceram. Ali vocês adorarão outros deuses dia e noite, pois eu não serei bondoso para vocês.”
14 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd!
14 O Senhor Deus diz: — Está chegando o tempo em que ninguém mais jurará por mim como o Deus vivo que tirou do Egito o povo de Israel.
15 Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
15 Mas jurarão por mim como o Deus vivo que trouxe o povo de Israel do país do Norte e de todos os outros países por onde eu os havia espalhado. Vou trazê-los de volta para a sua própria terra, para a terra que dei aos seus antepassados. Eu, o Senhor , estou falando.
16 Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt de HEERE, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der steenrotsen.
16 O Senhor Deus diz: — Mandarei vir muitos pescadores para pescarem essa gente. Depois, mandarei vir muitos caçadores para os caçarem em todas as montanhas e lugares altos e até nos buracos das rochas. Sou eu, o
17 Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.
17 Eu vejo tudo o que eles estão fazendo. Nada fica escondido de mim, e os pecados deles não escapam da minha vista.
18 Dies zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld.
18 Vou fazer com que paguem em dobro pela sua maldade e pelo seu pecado. Eles profanaram a minha terra com ídolos que são tão mortos como os defuntos; eles encheram a minha terra com os seus falsos deuses.
19 O HEERE! Gij zijt mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht ten dage der benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.
19 Eu disse: — Ó
20 Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.
20 Será que o ser humano pode fazer os seus próprios deuses? Não! Porque não seriam deuses de verdade.”
21 Daarom, ziet, Ik zal hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend maken Mijn hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn Naam is HEERE.
21 O Senhor disse: — Por isso, farei com que eles conheçam a minha força e o meu poder uma vez para sempre. E eles saberão que o meu nome é

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 16, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.