Jeremias 15

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuel voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
1 Então o Senhor me disse: — Mesmo que Moisés e Samuel se pusessem diante de mim, meu coração não se inclinaria para este povo. Mande-os embora! Que saiam da minha presença!
2 En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot den honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!
2 Se lhe perguntarem: “Para onde iremos?”, responda: Assim diz o “Quem é para a morte vai para a morte; quem é para a espada vai para a espada; quem é para a fome vai para a fome; e quem é para o cativeiro vai para o cativeiro.”
3 Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt de HEERE: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te eten en te verderven.
3 — Porque os punirei com quatro tipos de castigo, diz o Senhor : com espada para matar, com cães para os arrastar e com as aves dos céus e os animais selvagens para os devorar e destruir.
4 En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.
4 Farei deles um objeto de espanto para todos os reinos da terra, por causa de tudo o que Manassés, filho de Ezequias, rei de Judá, fez em Jerusalém.
5 Want wie zou u verschonen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen?
5 “Pois quem se compadecerá de você, ó Jerusalém? Ou quem ficará triste por você? Ou quem se desviará do caminho para perguntar pelo seu bem-estar?
6 Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEERE; gij zijt achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben des berouwens moede geworden.
6 Você me rejeitou”, diz o “você voltou para trás. Por isso, levantei a mão contra você e a destruí; cansei de ter compaixão.
7 En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd.
7 Eu os espalhei com a pá nos portões das cidades. Deixei-os sem filhos, destruí o meu povo, mas eles não deixaram os seus maus caminhos.
8 Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeen; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.
8 As suas viúvas se multiplicaram mais do que a areia do mar. Eu trouxe ao meio-dia um destruidor sobre a mãe de jovens; fiz cair de repente sobre ela angústia e pavor.
9 Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hunlieder overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de HEERE.
9 Aquela que tinha sete filhos desmaiou e respira com dificuldade. Para ela, o sol se pôs quando ainda era dia; ela ficou envergonhada e confusa. Os sobreviventes, eu os entregarei à espada, diante dos seus inimigos”, diz o
10 Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
10 Ai de mim, minha mãe! Porque você me pôs no mundo para ser homem de rixa e homem de discórdias para toda a terra! Nunca lhes emprestei, nem pedi dinheiro emprestado, mas todos me amaldiçoam.
11 De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn; zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!
11 O Senhor disse: — Na verdade, eu o fortalecerei para o bem e farei com que o inimigo lhe dirija súplicas no tempo da calamidade e no tempo da aflição.
12 Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?
12 Pode alguém quebrar o ferro, o ferro do Norte, ou o bronze?
13 Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw landpalen.
13 Por todos os seus pecados, em todos os seus territórios, entregarei de graça os seus bens e os seus tesouros, para que sejam saqueados.
14 En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat gij niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.
14 Farei com que sejam escravos dos seus inimigos, numa terra que não conhecem, porque um fogo se acendeu em minha ira e queimará sobre vocês.
15 O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.
15 Ó Senhor , tu o sabes. Lembra-te de mim, ampara-me e vinga-me dos meus perseguidores. Não permitas que, por causa da tua longanimidade, eu seja arrebatado. Fica sabendo que por causa de ti tenho sofrido afrontas.
16 Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!
16 Achadas as tuas palavras, logo as comi. As tuas palavras encheram o meu coração de júbilo e de alegria, pois sou chamado pelo teu nome, ó
17 Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld.
17 Nunca me assentei na roda dos que se divertem, nem me alegrei. Oprimido por tua mão, eu me assentei solitário, pois me encheste de indignação.
18 Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
18 Por que a minha dor não passa, e a minha ferida me dói e não admite cura? Serias tu para mim como ribeiro ilusório, como águas que enganam?
19 Daarom zegt de HEERE alzo: Zo gij zult wederkeren, zo zal Ik u doen wederkeren; gij zult voor Mijn aangezicht staan; en zo gij het kostelijke van het snode uittrekt, zult gij als Mijn mond zijn; laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren.
19 Portanto, assim diz o Senhor : “Se você se arrepender, eu o farei voltar e você estará diante de mim. Se separar o que é precioso daquilo que não presta, você será a minha boca. Eles se voltarão para você, mas você não passará para o lado deles.
20 Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE.
20 Farei de você um forte muro de bronze diante deste povo. Eles lutarão contra você, mas não conseguirão derrotá-lo, porque eu estou com você para salvá-lo e livrá-lo deles”, diz o
21 Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm der tirannen.
21 “Eu o libertarei das mãos dos iníquos e o livrarei das garras dos violentos.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.