Jeremias 10

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!
1 Povo de Israel, escutem a mensagem de Deus, o Senhor , para vocês!
2 Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
2 Ele diz: “Não sigam os costumes de outras nações. Elas podem ficar espantadas quando aparecem coisas estranhas no céu, mas vocês não devem se assustar.
3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
3 A religião dessa gente não vale nada. Cortam uma árvore na floresta, e um artista, com as suas ferramentas, faz um ídolo.
4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
4 Então o enfeitam com prata e ouro e o firmam com pregos para que não caia aos pedaços.
5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
5 Esses ídolos não podem falar: são como um espantalho numa plantação de pepinos. Eles têm de ser carregados porque não podem andar. Não tenham medo deles: não podem fazer mal, nem podem fazer bem.”
6 Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
6 Ó Senhor Deus, não há ninguém igual a ti. Tu és grande, e o teu nome é poderoso.
7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.
7 Quem não te respeitará, ó Rei de todas as nações? Tu mereces todo o respeito. Não há ninguém como tu entre todos os sábios das nações.
8 In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
8 Todos os seus sábios são ignorantes e tolos. Será que os ídolos de madeira podem lhes ensinar alguma coisa?
9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
9 Esses ídolos são folheados com prata da Espanha e com ouro de Ufaz; tudo é trabalho de artistas. Os seus vestidos são roxos e vermelhos, feitos por tecelões habilidosos.
10 Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
10 Mas o Senhor é o Deus verdadeiro; ele é o Deus vivo, o Rei eterno. Quando o as nações não podem suportar a sua ira.
11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
11 Digam às nações que os deuses, que não fizeram a terra e o céu, serão destruídos. Eles desaparecerão completamente da terra.
12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
12 Pelo seu poder, o Senhor Deus fez a terra; com a sua sabedoria, ele criou o mundo e, com a sua inteligência, estendeu o céu como se fosse uma coberta.
13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
13 Quando Deus dá ordem, as águas rugem no céu. Ele manda as nuvens subirem dos fins da terra. Ele faz o raio para a chuva e manda o vento sair dos seus depósitos.
14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
14 Diante disso, todos os seres humanos são tolos e ignorantes. Todos os artistas ficam envergonhados com os ídolos que fazem, pois são deuses falsos, deuses que não têm vida.
15 Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
15 Não valem nada; são uma tapeação. Serão destruídos quando o
16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
16 O Deus de Jacó não é assim; foi ele quem fez todas as coisas e escolheu Israel para ser o seu povo. O seu nome é
17 Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!
17 Moradores de Jerusalém, a cidade está cercada pelos inimigos! Peguem as suas trouxas,
18 Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
18 porque agora o Senhor vai jogar vocês para fora desta terra a fim de que venham a ter juízo. Sou eu, o
19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
19 O povo de Jerusalém grita: “Estamos gravemente feridos! As nossas feridas não querem sarar! E nós pensávamos que podíamos aguentar estas coisas!
20 Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
20 As nossas barracas estão destruídas, e as cordas que as seguravam arrebentaram. Os nossos filhos partiram, foram todos embora. Não sobrou ninguém para armar as nossas barracas de novo, e não há ninguém para colocar as cortinas.”
21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.
21 Eu respondi: “As autoridades são tolas: não pedem que o Foi por isso que elas fracassaram, e o nosso povo foi espalhado.
22 Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
22 Escutem! Acabam de chegar notícias! Há uma grande agitação num país do Norte. O seu exército vai fazer com que as cidades de Judá virem um deserto, um lugar onde vivem os lobos.”
23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
23 Ó Senhor Deus, eu sei que o ser humano não é dono do seu futuro; ninguém pode controlar o que acontece na sua vida.
24 Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
24 Ó Senhor , corrige o nosso povo, mas não sejas duro demais. Não nos castigues quando estiveres irado porque aí acabarias com toda a nossa gente.
25 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
25 Derrama a tua ira sobre as nações que não te adoram, sobre os povos que te rejeitam. Pois mataram a nós, os descendentes de Jacó, e arrasaram o nosso país.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jeremias 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.