Jó 34

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Verder antwoordde Elihu, en zeide:
1 Eliú disse mais:
2 Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
2 “Vocês que são sábios, ouçam as minhas palavras; vocês que são instruídos, escutem o que vou dizer.
3 Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
3 Porque o ouvido avalia as palavras, assim como o paladar prova a comida.
4 Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
4 Escolhamos para nós o que é direito; conheçamos entre nós o que é bom.”
5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
5 “Porque Jó disse: ‘Sou justo, e Deus tirou o meu direito.
6 Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
6 Apesar do meu direito, sou considerado mentiroso; a minha ferida é incurável, embora não tenha cometido nenhum pecado.’”
7 Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
7 “Será que existe outro homem semelhante a Jó que bebe a zombaria como se fosse água?
8 En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
8 Ele segue o caminho dos que praticam a iniquidade e anda com homens perversos.
9 Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
9 Pois disse: ‘De nada adianta ao homem ter o seu prazer em Deus.’”
10 Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
10 “Por isso, vocês que têm entendimento, me escutem: longe de Deus o praticar ele a maldade, e longe do Todo-Poderoso o cometer injustiça.
11 Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.
11 Pois Deus retribui ao homem segundo as suas obras e paga a cada um conforme o seu caminho.
12 Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
12 Na verdade, Deus não pratica o mal; o Todo-Poderoso não perverte o direito.
13 Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
13 Quem lhe entregou o governo da terra? Quem lhe confiou o universo?
14 Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
14 Se Deus pensasse apenas em si mesmo e fizesse voltar para si o seu espírito e o seu sopro,
15 Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
15 toda a humanidade morreria ao mesmo tempo, e o homem voltaria para o pó.”
16 Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
16 “Portanto, se você tem entendimento, escute isto; dê ouvidos ao som das minhas palavras.
17 Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
17 Se Deus odiasse o direito, será que poderia governar? E será que você quer condenar aquele que é justo e poderoso?
18 Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!
18 Será que alguém diria a um rei: ‘Você não vale nada!’? Ou diria aos príncipes: ‘Seus perversos!’?
19 Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
19 Quanto menos dirá isso àquele que não privilegia os príncipes, e que não favorece o rico em prejuízo do pobre; porque todos são obra de suas mãos.
20 In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
20 De repente, morrem; no meio da noite, as pessoas são abaladas e passam, e os poderosos são levados por uma força invisível.
21 Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
21 Os olhos de Deus estão sobre os caminhos do homem e veem todos os seus passos.
22 Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.
22 Não há trevas nem sombra profunda o bastante, onde os que praticam a iniquidade possam se esconder.
23 Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
23 Pois Deus não precisa observar o homem por muito tempo antes de o fazer comparecer em juízo diante dele.
24 Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
24 Deus arrasa os poderosos, sem os inquirir, e põe outros em seu lugar.
25 Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.
25 Porque ele conhece as obras deles; de noite, os transtorna e eles são esmagados.
26 Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;
26 Ele os castiga como se fossem ímpios, à vista de todos,
27 Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;
27 porque se afastaram de Deus, e não quiseram compreender nenhum de seus caminhos,
28 Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
28 e assim fizeram com que o grito dos pobres subisse até Deus, e este ouviu o lamento dos aflitos.”
29 Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
29 “Se ele se calar, quem o condenará? Se encobrir o rosto, quem poderá vê-lo? Mas ele está acima dos povos e das pessoas,
30 Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn.
30 para que o ímpio não reine, e não haja quem iluda o povo.”
31 Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
31 “Se alguém se dirige a Deus, dizendo: ‘Sofri, não vou pecar mais;
32 Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
32 ensina-me o que não consigo ver; se cometi injustiça, jamais voltarei a praticá-la’,
33 Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.
33 será que Deus deve recompensá-lo segundo o que você quer ou não quer? Será que ele deve dizer: ‘Escolha você, e não eu; diga o que você sabe; fale’?”
34 De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
34 “Os homens que têm entendimento me responderão, o sábio que me ouve dirá:
35 Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
35 ‘Jó falou sem conhecimento, e nas palavras dele não há sabedoria.’
36 Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
36 Quem dera Jó fosse provado até o fim, porque ele respondeu como homem iníquo.
37 Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.
37 Pois ao seu pecado acrescenta rebelião; entre nós, em tom de zombaria, bate palmas e multiplica as suas palavras contra Deus.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 34, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.