Jó 30

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.
1 Mas agora se riem de mim os de menos idade do que eu, e cujos pais eu teria desdenhado de pôr com os cães do meu rebanho.
2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
2 De que também me serviria a força das suas mãos, força de homens cuja velhice esgotou-lhes o vigor?
3 Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.
3 De míngua e fome se debilitaram; e recolhiam-se para os lugares secos, tenebrosos, assolados e desertos.
4 Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
4 Apanhavam malvas junto aos arbustos, e o seu mantimento eram raízes dos zimbros.
5 Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
5 Do meio dos homens eram expulsos (gritava-se contra eles como contra um ladrão),
6 Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
6 para habitarem nos barrancos dos vales e nas cavernas da terra e das rochas.
7 Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
7 Bramavam entre os arbustos e ajuntavam-se debaixo das urtigas.
8 Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
8 Eram filhos de doidos e filhos de gente sem nome e da terra eram expulsos.
9 Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
9 Mas agora sou a sua canção e lhes sirvo de provérbio.
10 Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
10 Abominam-me, e fogem para longe de mim, e no meu rosto não se privam de cuspir.
11 Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.
11 Porque Deus desatou a sua corda e me oprimiu; pelo que sacudiram de si o freio perante o meu rosto.
12 Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.
12 À direita se levantam os moços; empurram os meus pés e preparam contra mim os seus caminhos de destruição.
13 Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.
13 Desbaratam-me o meu caminho; promovem a minha miséria; uma gente que não tem nenhum ajudador.
14 Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
14 Vêm contra mim como por uma grande brecha e revolvem-se entre a assolação.
15 Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
15 Sobrevieram-me pavores; como vento perseguem a minha honra, e como nuvem passou a minha felicidade.
16 Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.
16 E agora derrama-se em mim a minha alma; os dias da aflição se apoderaram de mim.
17 Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.
17 De noite, se me traspassam os meus ossos, e o mal que me corrói não descansa.
18 Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
18 Pela grande força do meu mal se demudou a minha veste, que, como a gola da minha túnica, me cinge.
19 Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
19 Lançou-me na lama, e fiquei semelhante ao pó e à cinza.
20 Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.
20 Clamo a ti, mas tu não me respondes; estou em pé, mas para mim não atentas.
21 Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.
21 Tornaste-te cruel contra mim; com a força da tua mão resistes violentamente.
22 Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.
22 Levantas-me sobre o vento, fazes-me cavalgar sobre ele e derretes-me o ser.
23 Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
23 Porque eu sei que me levarás à morte e à casa do ajuntamento destinada a todos os viventes.
24 Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
24 Mas não estenderás a mão para um montão de terra, se houver clamor nele na sua desventura?
25 Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
25 Porventura, não chorei sobre aquele que estava aflito, ou não se angustiou a minha alma pelo necessitado?
26 Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.
26 Todavia, aguardando eu o bem, eis que me veio o mal; e, esperando eu a luz, veio a escuridão.
27 Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.
27 O meu íntimo ferve e não está quieto; os dias da aflição me surpreenderam.
28 Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
28 Denegrido ando, mas não do sol; levantando-me na congregação, clamo por socorro.
29 Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.
29 Irmão me fiz dos dragões, e companheiro dos avestruzes.
30 Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.
30 Enegreceu-se a minha pele sobre mim, e os meus ossos estão queimados do calor.
31 Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
31 Pelo que se tornou a minha harpa em lamentação, e a minha flauta, em voz dos que choram.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 30, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.