João 7

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.
1 Passadas essas coisas, Jesus andava pela Galileia, porque não desejava andar pela Judeia, visto que os judeus queriam matá-lo.
2 En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij.
2 E a festa dos judeus, chamada de Festa dos Tabernáculos, estava próxima.
3 Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet.
3 Então os irmãos de Jesus se dirigiram a ele e disseram: — Deixe este lugar e vá para a Judeia, para que também os seus discípulos vejam as obras que você faz.
4 Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld.
4 Porque, se alguém quer ser conhecido, não pode realizar os seus feitos em segredo. Já que você faz essas coisas, manifeste-se ao mundo.
5 Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.
5 Acontece que nem mesmo os irmãos de Jesus criam nele.
6 Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.
6 Então Jesus lhes disse:
7 De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn.
7 O mundo não pode odiar vocês, mas a mim ele odeia, porque eu dou testemunho a respeito dele, dizendo que as suas obras são más.
8 Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.
8 Vão vocês para a festa. Eu não vou, porque o meu tempo ainda não se cumpriu.
9 En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.
9 Tendo dito isso, Jesus continuou na Galileia.
10 Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.
10 Depois que seus irmãos tinham ido à festa, Jesus também foi, não publicamente, mas em segredo.
11 De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij?
11 Ora, os judeus o procuravam na festa e perguntavam: — Onde estará ele?
12 En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare.
12 E havia grande murmuração a respeito de Jesus entre as multidões. Uns diziam: — Ele é bom. E outros afirmavam: — Não, não é! Ele engana o povo.
13 Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden.
13 Entretanto, ninguém falava dele abertamente, por ter medo dos judeus.
14 Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde.
14 Quando a festa já estava na metade, Jesus foi ao templo e começou a ensinar.
15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?
15 Então os judeus se maravilhavam e diziam: — Como é que ele pode ser letrado, se não chegou a estudar?
16 Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft.
16 Jesus lhes respondeu:
17 Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek.
17 Se alguém quiser fazer a vontade de Deus, conhecerá a respeito da doutrina, se ela é de Deus ou se eu falo por mim mesmo.
18 Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.
18 Quem fala por si mesmo está buscando a sua própria glória; mas o que busca a glória de quem o enviou, esse é verdadeiro, e nele não há falsidade.
19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij Mij te doden?
19 Não é fato que Moisés deu a Lei para vocês? Contudo, nenhum de vocês a cumpre. Por que estão querendo me matar?
20 De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel; wie zoekt U te doden?
20 A multidão respondeu: — Você tem demônio. Quem é que está querendo matá-lo?
21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en gij verwondert u allen.
21 Jesus respondeu:
22 Daarom heeft Mozes ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mens op den sabbat.
22 Moisés lhes deu a circuncisão — se bem que ela não vem de Moisés, mas dos patriarcas —, e vocês fazem a circuncisão de um menino até mesmo no sábado.
23 Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat?
23 E, se um menino pode ser circuncidado em dia de sábado, para que a Lei de Moisés não seja desrespeitada, por que vocês ficam indignados contra mim, pelo fato de eu ter curado por completo um homem num sábado?
24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
24 Não julguem segundo a aparência, mas julguem pela reta justiça.
25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Dien zij zoeken te doden?
25 Alguns de Jerusalém diziam: — Não é este o homem que estão querendo matar?
26 En ziet, Hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat Deze waarlijk is de Christus?
26 Eis que ele fala abertamente, e ninguém lhe diz nada. Será que as autoridades reconhecem de fato que este é o Cristo?
27 Doch van Dezen weten wij, van waar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, van waar Hij is.
27 Mas nós sabemos de onde este homem vem. Quando, porém, o Cristo vier, ninguém saberá de onde ele é.
28 Jezus dan riep in den tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welken gijlieden niet kent.
28 Enquanto ensinava no templo, Jesus disse em voz alta:
29 Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.
29 Eu o conheço, porque venho da parte dele e ele me enviou.
30 Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.
30 Então quiseram prendê-lo, mas ninguém lhe pôs as mãos, porque a sua hora ainda não havia chegado.
31 En velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft?
31 Porém muitos dentre a multidão creram nele e diziam: — Quando o Cristo vier, será que vai fazer maiores sinais do que este homem tem feito?
32 De Farizeen hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de Farizeen en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden.
32 Os fariseus, ouvindo a multidão murmurar essas coisas a respeito de Jesus, juntamente com os principais sacerdotes enviaram guardas para o prender.
33 Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.
33 Jesus disse:
34 Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
34 Vocês irão me procurar, mas não me acharão; vocês também não podem ir para onde eu estou.
35 De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?
35 Então os judeus disseram uns aos outros: — Para onde ele irá que não o possamos achar? Será que pretende ir para a diáspora entre os gregos, a fim de ensinar os gregos?
36 Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen?
36 Que significa isso que ele diz: “Vocês irão me procurar, mas não me acharão; vocês também não podem ir para onde eu estou?”
37 En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
37 No último dia, o grande dia da festa, Jesus se levantou e disse em voz alta:
38 Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
38 Quem crer em mim, como diz a Escritura, do seu interior fluirão rios de água viva.
39 (En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)
39 Isso ele disse a respeito do Espírito que os que nele cressem haviam de receber; pois o Espírito até aquele momento não tinha sido dado, porque Jesus ainda não havia sido glorificado.
40 Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.
40 Quando ouviram essas palavras, alguns do meio do povo diziam: — Este é verdadeiramente o profeta.
41 Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen?
41 Outros diziam: — Ele é o Cristo. Outros, porém, perguntavam: — Por acaso o Cristo virá da Galileia?
42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
42 Não diz a Escritura que o Cristo vem da descendência de Davi e da aldeia de Belém, de onde era Davi?
43 Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil.
43 Assim, houve divisão entre o povo por causa dele.
44 En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.
44 Alguns queriam prendê-lo, mas ninguém lhe pôs as mãos.
45 De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en Farizeen; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet gebracht?
45 Os guardas voltaram à presença dos principais sacerdotes e fariseus, e estes lhes perguntaram: — Por que vocês não o trouxeram?
46 De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.
46 Eles responderam: — Jamais alguém falou como este homem.
47 De Farizeen dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid?
47 Os fariseus disseram aos guardas: — Será que também vocês foram enganados?
48 Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen?
48 Por acaso alguma das autoridades ou algum dos fariseus creu nele?
49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.
49 Mas esse povo que nada sabe da lei é maldito.
50 Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen:
50 Nicodemos, um deles, que antes tinha ido conversar com Jesus, perguntou-lhes:
51 Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?
51 — Será que a nossa lei condena um homem sem primeiro ouvi-lo e saber o que ele fez?
52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is.
52 Eles responderam: — Por acaso também você é da Galileia? Examine e verá que da Galileia não se levanta profeta.
53 En een iegelijk ging heen naar zijn huis.
53 E cada um foi para a sua casa.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.