Isaías 7

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrie, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israel, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.
1 Nos dias em que Acaz, filho de Jotão, filho de Uzias, era rei de Judá, Rezim, rei da Síria, e Peca, filho de Remalias, rei de Israel, subiram a Jerusalém para lutar contra ela, mas não conseguiram conquistá-la.
2 Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriers rusten op Efraim, zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind.
2 Quando informaram à casa de Davi que a Síria estava aliada com Efraim, o coração de Acaz e o coração do seu povo ficaram agitados, como se agitam as árvores do bosque com o vento.
3 En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;
3 Então o Senhor disse a Isaías: — Vá, agora, com o seu filho Sear-Jasube encontrar-se com Acaz, que está na outra extremidade do aqueduto do tanque superior, junto ao caminho do campo do Lavandeiro.
4 En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriers, en van den zoon van Remalia;
4 Diga-lhe o seguinte: “Tenha cuidado e fique calmo. Não tenha medo nem fique desanimado por causa desses dois tocos de lenha fumegante, por causa do furor da ira de Rezim e da Síria, e do filho de Remalias.
5 Omdat de Syrier kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraim en den zoon van Remalia, zeggende:
5 Porque a Síria, Efraim e o filho de Remalias resolveram acabar com você, dizendo:
6 Laat ons optrekken tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons delen, en den zoon van Tabeal koning maken in het midden van hen.
6 ‘Vamos atacar e amedrontar o reino de Judá. Vamos conquistá-lo para nós e fazer reinar no meio dele o filho de Tabeal.’”
7 Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden.
7 Assim diz o Senhor Deus: “Isso não tem nenhuma chance de acontecer.
8 Maar Damaskus zal het hoofd van Syrie zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraim verbroken worden, dat het geen volk zij.
8 Porque a capital da Síria é Damasco, e o cabeça de Damasco é Rezim. E dentro de sessenta e cinco anos Efraim será destruído e deixará de ser povo.
9 Ondertussen zal Samaria Efraims hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.
9 A capital de Efraim é Samaria, e o cabeça de Samaria é o filho de Remalias. Se vocês não crerem, certamente não permanecerão.”
10 En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:
10 E o Senhor continuou a falar com Acaz, dizendo:
11 Eis u een teken van den HEERE, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.
11 — Peça ao Senhor , seu Deus, um sinal, quer seja embaixo, nas profundezas, ou em cima, nas alturas.
12 Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet verzoeken.
12 Acaz, porém, disse: — Não pedirei, nem tentarei o
13 Toen zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij, huis van David! is het ulieden te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt?
13 Então Isaías disse: — Agora escute, ó casa de Davi! Será que não basta vocês abusarem da paciência dos homens? Querem abusar também da paciência do meu Deus?
14 Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.
14 Portanto, o Senhor mesmo lhes dará um sinal: eis que a virgem conceberá e dará à luz um filho e lhe chamará Emanuel.
15 Boter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.
15 Ele comerá manteiga e mel quando souber desprezar o mal e escolher o bem.
16 Zekerlijk, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijn twee koningen.
16 Na verdade, antes que este menino saiba desprezar o mal e escolher o bem, a terra daqueles dois reis que você tanto teme será abandonada.
17 Doch de HEERE zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraim van Juda is afgeweken, door den koning van Assyrie.
17 — Mas o Senhor fará vir sobre você, sobre o seu povo e sobre a casa de seu pai dias tais como nunca houve, desde o dia em que Efraim se separou de Judá; ele fará vir o rei da Assíria.
18 Want het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE zal toesissen de vliegen, die aan het einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.
18 Naquele dia, o Senhor assobiará às moscas que estão no extremo dos rios do Egito e às abelhas que se encontram na terra da Assíria.
19 En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.
19 Elas virão e pousarão todas nos vales profundos, nas fendas das rochas, em todos os espinhos e em todas as pastagens.
20 Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, hetwelk aan gene zijde der rivier is, door den koning van Assyrie, afscheren het hoofd, en het haar der voeten; ja, het zal ook den baard gans wegnemen.
20 — Naquele dia, o Senhor o rapará com uma navalha alugada do outro lado do rio, a saber, por meio do rei da Assíria. Rapará a sua cabeça e os cabelos dos seus pés e tirará também a sua barba.
21 En het zal geschieden te dien dage, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen;
21 Naquele dia, um homem manterá apenas uma vaca nova e duas ovelhas,
22 En het zal geschieden, dat hij vanwege de veelheid der melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.
22 e será tal a abundância de leite que elas lhe darão, que comerá manteiga. Todo o restante que ficar no meio da terra comerá manteiga e mel.
23 Ook zal het te dienzelfden dage geschieden, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;
23 — Também, naquele dia, todo lugar em que houver mil videiras, no valor de mil moedas de prata, será tomado por espinheiros e ervas daninhas.
24 Dat men met pijlen en met den boog aldaar zal moeten gaan; want het ganse land zal doornen en distelen zijn.
24 Com flechas e arco se entrará aí, porque os espinheiros e as ervas daninhas cobrirão toda a terra.
25 Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees der doornen en der distelen; maar die zullen wezen tot inzending van den os, en tot vertreding van het kleinvee.
25 Quanto a todos os montes, onde se costuma cavar com enxadas, para ali você não irá com medo dos espinhos e das ervas daninhas; eles servirão para pasto dos bois e para serem pisados pelas ovelhas.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Isaías 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.