Isaías 49

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Hoort naar Mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen van den buik af, van Mijner moeders ingewand af heeft Hij Mijn Naam gemeld.
1 Escutem, terras do mar, e vocês, povos de longe, prestem atenção! O desde o meu nascimento, desde o ventre de minha mãe fez menção do meu nome.
2 En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
2 Ele fez a minha boca como uma espada aguda, na sombra da sua mão me escondeu. Ele fez de mim uma flecha polida, e me guardou na sua aljava.
3 En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israel, door Welken Ik verheerlijkt zal worden.
3 E me disse: “Você é o meu servo, você é Israel, por meio de quem hei de ser glorificado.”
4 Doch Ik zeide: Ik heb te vergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdelijk toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij den HEERE, en Mijn werkloon is bij Mijn God.
4 Mas eu disse: “Tenho trabalhado em vão; gastei as minhas forças por nada e à toa.” Todavia, o meu direito está diante do a minha recompensa está diante do meu Deus.
5 En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israel zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.
5 Mas agora diz o Senhor , que me formou desde o ventre para ser o seu servo, para trazer Jacó de volta e reunir Israel a ele, porque sou glorificado diante do e o meu Deus é a minha força.
6 Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israel; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
6 Sim, ele diz: “Para você, é muito pouco ser o meu servo para restaurar as tribos de Jacó e trazer de volta o remanescente de Israel. Farei também com que você seja uma luz para os gentios, para que você seja a minha salvação até os confins da terra.”
7 Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israel, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, tot den Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om den Heilige Israels, Die U verkoren heeft.
7 O Senhor , o Redentor e Santo de Israel, diz ao que é desprezado, ao que é detestado pelas nações, ao servo dos dominadores: “Os reis o verão e se levantarão; os príncipes se inclinarão diante de você por amor do e do Santo de Israel, que o escolheu.”
8 Alzo zegt de HEERE: In dien tijd des welbehagens heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beerven;
8 Assim diz o Senhor : “No tempo aceitável eu escutei você e no dia da salvação eu o socorri. Eu o guardarei e o farei mediador da aliança com o povo, para restaurar a terra e repartir as propriedades devastadas,
9 Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.
9 para dizer aos presos: ‘Saiam da prisão!’, e aos que estão em trevas: ‘Venham para fora!’” “Eles pastarão ao longo dos caminhos e em todos os montes desertos terão o seu pasto.
10 Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden.
10 Não terão fome nem sede, o calor forte e o sol não os afligirão, porque o que se compadece deles os guiará e os conduzirá aos mananciais das águas.
11 En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.
11 Transformarei todos os meus montes em caminhos, e as minhas estradas serão levantadas.
12 Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en geen uit het land van Sinim.
12 Eis que estes virão de longe, e eis que aqueles virão do Norte e do Ocidente; outros virão da terra de Sinim.”
13 Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich; want de HEERE heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
13 Alegrem-se, ó céus, exulte, ó terra, e vocês, montes, cantem de alegria, porque o o seu povo e se compadece dos seus aflitos.
14 Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten.
14 Mas Sião diz: “O o Senhor se esqueceu de mim.”
15 Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.
15 O Senhor responde: “Será que uma mulher pode se esquecer do filho que ainda mama, de maneira que não se compadeça do filho do seu ventre? Mas ainda que esta viesse a se esquecer dele, eu, porém, não me esquecerei de você.
16 Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.
16 Eis que eu gravei você nas palmas das minhas mãos; as suas muralhas estão continuamente diante de mim.
17 Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan.
17 Os seus filhos virão depressa, enquanto os que a destruíram e devastaram se afastam de você.
18 Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zekerlijk, gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.
18 Levante os olhos ao redor e veja: todos se reúnem e vêm até você. Tão certo como eu vivo”, diz o “de todos eles você se vestirá como de um enfeite e deles se cingirá como noiva.”
19 Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult gij benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken.
19 “Pois, quanto aos seus lugares desertos e devastados e à sua terra destruída, agora você, ó Sião, certamente será pequena demais para os moradores; e os que a devoravam estarão bem longe.
20 Nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen moge.
20 Os filhos que nasceram nos seus dias de luto dirão a você: ‘Este lugar é pequeno demais para nós; dê-nos mais espaço para morar.’
21 En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren dezen?
21 Então você pensará assim: ‘Quem me gerou estes filhos? Pois eu era uma mulher sem filhos e estéril, em exílio e abandonada. Quem criou esses filhos para mim? Fui deixada sozinha; e estes onde estavam?’”
22 Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op den schouders gedragen worden.
22 Assim diz o Senhor Deus: “Eis que acenarei para as nações e diante dos povos levantarei a minha bandeira; eles trarão nos braços os seus filhos, ó Sião, e as suas filhas serão levadas sobre os ombros.
23 En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
23 Reis serão os guardiões deles, e rainhas serão as suas babás. Eles se inclinarão diante de você com o rosto em terra e lamberão o pó dos seus pés. Então você saberá que eu sou o e que os que esperam em mim não serão envergonhados.”
24 Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen?
24 Será que alguém pode tirar o despojo de um valente? Será que os presos podem fugir do tirano?
25 Doch alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.
25 Mas assim diz o Senhor : “Certamente os presos serão tirados do valente, e o despojo do tirano será resgatado, porque eu lutarei contra os que lutam contra você e salvarei os seus filhos.
26 En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.
26 Farei com que os seus opressores comam a sua própria carne e se embriaguem com o seu próprio sangue, como se fosse vinho novo. Então toda a humanidade saberá que eu sou o o seu Salvador e o seu Redentor, o Poderoso de Jacó.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Isaías 49, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.