Isaías 48

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israel, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israels, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
1 Escutem isto, casa de Jacó, vocês que se chamam pelo nome de Israel e saíram da linhagem de Judá, vocês que juram pelo nome do e confessam o Deus de Israel, mas não em verdade nem em justiça.
2 Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
2 Da santa cidade tomam o nome e se firmam sobre o Deus de Israel, cujo nome é
3 De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;
3 “Desde a antiguidade anunciei as primeiras coisas; a minha boca as pronunciou, e eu as fiz ouvir; de repente agi, e elas se cumpriram.
4 Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;
4 Porque eu sabia que você era obstinado, que o seu pescoço é um tendão de ferro e que a sua testa era de bronze.
5 Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.
5 Por isso, desde aquele tempo eu lhe anunciei essas coisas e as dei a conhecer antes que acontecessem, para que você não dissesse: ‘O meu ídolo fez estas coisas’; ou: ‘A minha imagem de escultura e a minha imagem de fundição as ordenaram.’”
6 Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.
6 “Você já ouviu; agora olhe bem para tudo isto; será que você não vai admitir que falei a verdade? Desde agora lhe anuncio coisas novas e ocultas, que você não conhecia.
7 Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.
7 Foram criadas agora e não há muito tempo, e antes deste dia você não tinha ouvido falar nelas, para que você não diga: ‘Sim, eu já sabia.’
8 Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.
8 Você não ouviu, não conheceu, nem tampouco antecipadamente se abriram os seus ouvidos, porque eu sabia que você não é nada confiável e é chamado de transgressor desde o ventre materno.”
9 Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.
9 “Por amor do meu nome, retardarei a minha ira e, por causa da minha honra, me conterei em relação a você, para que eu não venha a exterminá-lo.
10 Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.
10 Eis que refinei você, mas não como a prata; eu o provei na fornalha da aflição.
11 Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
11 Por amor de mim, por amor de mim é que faço isto; pois como seria profanado o meu nome? Não darei a mais ninguém a minha glória.”
12 Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israel, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.
12 “Escute, ó Jacó, e também você, Israel, a quem chamei: Eu sou o mesmo, sou o primeiro e também o último.
13 Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.
13 Também a minha mão fundou a terra, e a minha mão direita estendeu os céus; quando eu os chamar, eles se apresentarão juntos.”
14 Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeen zijn.
14 “Reúnam-se, todos vocês, e escutem! Quem, dentre eles, anunciou estas coisas? Aquele a quem o executará a sua vontade contra a Babilônia, e o seu braço será contra os caldeus.
15 Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.
15 Eu, eu tenho falado; também já o chamei. Eu o trouxe e farei próspero o seu caminho.
16 Nadert gijlieden tot Mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft Mij gezonden.
16 Aproximem-se de mim e escutem isto: desde o princípio, não falei em segredo; desde o tempo em que isso vem acontecendo, tenho estado lá.” “Agora, o enviou a mim e o seu Espírito.”
17 Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.
17 Assim diz o Senhor , o seu Redentor, o Santo de Israel: “Eu sou o que lhe ensina o que é útil e o guia pelo caminho em que você deve andar.
18 Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.
18 Ah! Se você tivesse dado ouvidos aos meus mandamentos! Então a sua paz seria como um rio, e a sua justiça, como as ondas do mar.
19 Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.
19 Também a sua posteridade seria como a areia, e os seus descendentes, como os grãos da areia; o seu nome nunca seria eliminado nem destruído de diante de mim.”
20 Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeen, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!
20 Saiam da Babilônia, fujam do meio dos caldeus! Anunciem isto com voz de júbilo; proclamem e levem esta boa notícia até os confins da terra. Digam: “O o seu servo Jacó.”
21 En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.
21 Não padeceram sede, quando ele os levava pelos desertos; fez brotar para eles água da rocha; fendeu a pedra, e a água jorrou.
22 Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.
22 “Mas para os ímpios não há paz”, diz o

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Isaías 48, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.