Isaías 41

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
1 “Calem-se diante de mim, ó ilhas! E que os povos renovem as suas forças! Que se aproximem e, então, falem; vamos nos reunir para o julgamento.”
2 Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel?
2 “Quem fez surgir no Oriente aquele a cujos passos segue a vitória? Quem lhe entrega as nações e faz com que os reis se submetam a ele? Com a sua espada ele os transforma em pó, e com o seu arco, em palha que o vento dispersa.
3 Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had?
3 Ele os persegue e avança em segurança, por um caminho em que ele nunca havia passado.
4 Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en met den Laatste ben Ik Dezelfde.
4 Quem fez e executou tudo isso? Aquele que desde o princípio tem chamado as gerações à existência, eu, o e aquele que estará com os últimos; eu mesmo.”
5 De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;
5 Os países do mar viram isto e temeram; os confins da terra tremeram; eles se aproximaram e vieram.
6 De een hielp den ander, en zeide tot zijn metgezel: Wees sterk!
6 Um ajuda o outro e diz a seu próximo: “Seja forte.”
7 En de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
7 O artífice anima o ourives, e o que trabalha com o martelo encoraja o que bate na bigorna, dizendo que a soldagem foi bem-feita. Então fixam tudo com pregos para que não oscile.
8 Maar gij, Israel, Mijn knecht! gij Jakob, dien Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!
8 “Mas você, Israel, meu servo; você, Jacó, a quem escolhi; você, descendente de Abraão, meu amigo;
9 Gij, welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zeide tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.
9 você, a quem eu trouxe dos confins da terra e chamei dos seus cantos mais remotos, e a quem eu disse: ‘Você é o meu servo, eu o escolhi e não o rejeitei’;
10 Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid.
10 não tema, porque eu estou com você; não fique com medo, porque eu sou o seu Deus. Eu lhe dou forças; sim, eu o ajudo; sim, eu o seguro com a mão direita da minha justiça.”
11 Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, die met u twisten, zullen vergaan.
11 “Eis que serão envergonhados e humilhados todos os que se enfurecem contra você; os que lutam contra você serão reduzidos a nada e perecerão.
12 Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de lieden, die met u kijven, zullen worden als niet, en die lieden, die met u oorlogen, als een nietig ding.
12 Você procurará os que lutam contra você, porém não os achará; serão reduzidos a nada e a coisa de nenhum valor os que fazem guerra contra você.
13 Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
13 Porque eu, o Senhor , seu Deus, o tomo pela mão direita e lhe digo: ‘Não tenha medo, pois eu o ajudarei.’”
14 Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israels!
14 “Não tenha medo, ó vermezinho de Jacó, povozinho de Israel, pois eu o ajudarei”, diz o “o seu Redentor é o Santo de Israel.
15 Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf.
15 Eis que farei de você um debulhador de cereais cortante e novo, armado de lâminas duplas. Você trilhará e esmagará os montes, e reduzirá as colinas a palha.
16 Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den HEERE; in den Heilige Israels zult gij u roemen.
16 Você os jogará para cima com a pá, e o vento os levará, e o redemoinho os espalhará. Então você se alegrará no e se gloriará no Santo de Israel.”
17 De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, de HEERE zal hen verhoren, Ik, de God Israels, zal hen niet verlaten.
17 “Os pobres e necessitados buscam água, mas não a encontram; a língua deles está ressequida de sede. Mas eu, o eu, o Deus de Israel, não os abandonarei.
18 Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.
18 Abrirei rios no alto dos montes e fontes no meio dos vales; transformarei o deserto em lençóis de águas e a terra seca, em mananciais.
19 Ik zal in de woestijn den cederboom, den sittimboom, en den mirteboom, en den olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen den denneboom, den beuk, en den busboom te gelijk;
19 Plantarei no deserto o cedro, a acácia, a murta e a oliveira; porei juntos no ermo o cipreste, o olmeiro e o buxo,
20 Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand des HEEREN zulks gedaan, en dat de Heilige Israels zulks geschapen heeft.
20 para que todos vejam e saibam, considerem e juntamente entendam que a mão do e que o Santo de Israel o criou.”
21 Brengt ulieder twistzaak voor, zegt de HEERE; brengt uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob.
21 “Exponham a sua causa”, diz o “apresentem as suas razões, diz o Rei de Jacó.
22 Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.
22 Aproximem-se e anunciem-nos as coisas que hão de acontecer; contem-nos as profecias anteriores, para que as examinemos e saibamos se elas se cumpriram; ou falem-nos a respeito das coisas futuras.
23 Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien.
23 Anunciem-nos as coisas que ainda hão de vir, para que saibamos que vocês são deuses. Façam alguma coisa, seja boa ou seja má, para que fiquemos com medo, e juntamente o veremos.
24 Ziet, gijlieden zijt minder dan niet, en ulieder werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest.
24 Eis que vocês são menos do que nada, e menos do que nada é o que vocês fazem; abominável é quem os escolhe.”
25 Ik verwek een van het noorden, en hij zal opkomen van den opgang der zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt.
25 “Do Norte suscitei um homem, e ele vem; desde o Oriente, onde nasce o sol, ele invocará o meu nome; pisará os governantes como se fossem lama, como o oleiro pisa o barro.
26 Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.
26 Quem anunciou isso desde o princípio, a fim de que o possamos saber? Quem falou disso antecipadamente, para que digamos: ‘É isso mesmo’? Mas não houve quem anunciasse, quem proclamasse, nem ainda quem tivesse ouvido qualquer palavra da parte de vocês.
27 Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem; Ik zal een blijden boodschapper geven.
27 Eu sou o que primeiro disse a Sião: ‘Eis! Ei-los aí!’ E a Jerusalém dou um mensageiro de boas-novas.
28 Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
28 Quando eu olho, não há ninguém; entre eles não há nenhum conselheiro a quem eu pergunte, e me responda.
29 Ziet, zij zijn altemaal ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.
29 Eis que todos são nada; as suas obras são coisa nenhuma; as suas imagens de fundição são vento e vácuo.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Isaías 41, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.