Isaías 30

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Wee den kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen;
1 “Ai dos filhos rebeldes”, diz o “que executam planos que não procedem de mim e fazem aliança sem consultar o meu Espírito, para acrescentarem pecado sobre pecado!
2 Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte.
2 Eles descem ao Egito sem me consultar, buscando refúgio em Faraó e abrigo à sombra do Egito!
3 Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande.
3 Mas o refúgio de Faraó se transformará em vergonha para vocês, e o abrigo na sombra do Egito resultará em humilhação.
4 Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes;
4 Porque os príncipes de Judá já estão em Zoã, e os seus embaixadores já chegaram a Hanes.
5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal.
5 Mas todos ficarão envergonhados por causa de um povo que não os ajudará em nada, que não servirá nem de ajuda nem de proveito, porém de vergonha e de vexame.”
6 De last der beesten, van het zuiden, naar het land des angstes, en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut doen zal.
6 Sentença contra a Besta do Sul. “Atravessando a terra da aflição e da angústia, de onde vêm a leoa, o leão, a víbora e a serpente voadora, os embaixadores levam as suas riquezas em lombo de jumento, e transportam os seus tesouros sobre as corcovas de camelos. Levam as suas riquezas e os seus tesouros a um povo que não lhes será de proveito algum.
7 Want Egypte zal ijdellijk en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn.
7 Pois, quanto ao Egito, o seu auxílio é vão e inútil. Por isso, eu o chamo de ‘Besta que nada faz’.”
8 Nu dan, ga henen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos, tot in eeuwigheid.
8 “Agora vá e escreva isso numa tabuinha diante deles, escreva-o num livro, para que fique registrado para os dias vindouros, para sempre, perpetuamente.
9 Want het is een wederspannig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die des HEEREN wet niet horen willen.
9 Porque este é um povo rebelde; são filhos mentirosos, filhos que não querem ouvir a lei do
10 Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen.
10 Eles dizem aos videntes: ‘Não tenham mais visões!’ E aos profetas: ‘Não profetizem para nós o que é reto; digam-nos coisas agradáveis, profetizem ilusões.
11 Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden!
11 Desviem-se do caminho, afastem-se da vereda; não nos falem mais a respeito do Santo de Israel.’”
12 Daarom, zo zegt de Heilige Israels: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop:
12 Por isso o Santo de Israel diz: “Vocês rejeitam esta palavra, confiam na opressão e na perversidade e se apoiam sobre isso.
13 Daarom zal ulieden deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hogen muur, welks breuk haastelijk in een ogenblik komen zal.
13 Portanto, esta maldade será para vocês como brecha num muro alto, que, formando uma barriga, está prestes a cair, e cuja queda vem de repente, num momento.
14 Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet verschonen; alzo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
14 O Senhor quebrará esse muro como se quebra o vaso do oleiro, despedaçando-o por completo; não se achará entre os seus cacos um que sirva para tirar brasas da lareira ou apanhar água da cisterna.”
15 Want alzo zegt de Heere HEERE, de Heilige Israels: Door wederkering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild.
15 Porque assim diz o Senhor Deus, o Santo de Israel: “Na conversão e no descanso está a salvação de vocês; na tranquilidade e na confiança reside a força de vocês. Mas vocês não quiseram.
16 En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden; daarom zult gij vlieden! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!
16 Pelo contrário, disseram: ‘Nada disso! Nós vamos fugir a cavalo!’ Portanto, vocês fugirão. E vocês disseram: ‘Vamos cavalgar sobre cavalos ligeiros!’ Portanto, ligeiros serão aqueles que perseguem vocês.
17 Een duizend van het schelden van een enige, van het schelden van vijf zult gij allen vlieden; totdat gij overgelaten wordt, gelijk een mast op den top van een berg, en als een banier op een heuvel.
17 Mil homens fugirão pela ameaça de apenas um; pela ameaça de cinco, todos vocês fugirão, até que sejam deixados como um mastro no alto do monte e como um estandarte no topo da colina.”
18 En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.
18 Por isso, o Senhor espera, para ter misericórdia de vocês, e se levanta, para se compadecer de vocês, porque o Bem-aventurados todos os que nele esperam.
19 Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; gij zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.
19 Porque o povo habitará em Sião, em Jerusalém. Vocês não vão chorar mais. Ele certamente se compadecerá, ao ouvir o clamor de vocês; e, ouvindo-o, lhes responderá.
20 De Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid, en wateren der verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;
20 Embora o Senhor lhes dê pão de angústia e água de aflição, os mestres de vocês não se esconderão mais; vocês os verão com os seus próprios olhos.
21 En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
21 Quando vocês se desviarem para a direita ou para a esquerda, ouvirão atrás de vocês uma palavra, dizendo: “Este é o caminho; andem nele.”
22 En gijlieden zult voor onrein houden het deksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Henen uit!
22 Vocês tratarão como impuras as imagens esculpidas cobertas de prata e as imagens de fundição revestidas de ouro; vocês as jogarão fora como coisa impura e dirão a cada uma delas: “Fora daqui!”
23 Dan zal Hij uw zaad, waarmede gij het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van des lands inkomen, en hetzelve zal vet en smoutig zijn; uw vee zal te dien dage in een wijde landouwe weiden.
23 O Senhor lhes dará chuva para as sementes que vocês semearem na terra, e também lhes dará o alimento que a terra produzir, o qual será farto e nutritivo. Naquele dia, o gado de vocês pastará em lugares espaçosos.
24 En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan.
24 Os bois e os jumentos que lavram a terra comerão forragem com sal, espalhada com pá e forcado.
25 En er zullen op allen hogen berg, en op allen verhevenen heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der grote slachting, wanneer de torens vallen zullen.
25 No dia do grande massacre, quando caírem as torres, haverá ribeiros e correntes de água em todos os montes altos e em todas as colinas elevadas.
26 En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; ten dage als de HEERE de breuk Zijns volks zal verbinden, en de wonde, waarmede het geslagen is, genezen.
26 A luz da lua será como a do sol, e a do sol será sete vezes maior, como a luz de sete dias, no dia em que o Senhor tratar as fraturas do seu povo e curar a ferida do golpe que ele deu.
27 Ziet, de Naam des HEEREN komt van verre, Zijn toorn brandt, en de last is zwaar; Zijn lippen zijn vol gramschap, en Zijn tong, als een verterend vuur;
27 Eis que o nome do Senhor vem de longe, ardendo na sua ira, no meio de espessas nuvens. Os seus lábios estão cheios de indignação, e a sua língua é como fogo devorador.
28 En Zijn adem is als een overlopende beek, die tot aan den hals toe raakt; om de heidenen te schudden met een schudding der ijdelheid, en als een misleidende toom in de kinnebakkens der volken.
28 A sua respiração é como a torrente que transborda e chega até o pescoço. Ele vem peneirar as nações com peneira de destruição; porá na boca dos povos um freio para fazer com que andem errantes.
29 Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in den nacht, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap des harten, gelijk van een, die met pijpen wandelt, om te komen tot den berg des HEEREN, tot den Rotssteen van Israel.
29 Vocês cantarão como nas noites em que se celebra uma festa santa; terão alegria de coração como a daquele que sai ao som da flauta para ir ao monte do à Rocha de Israel.
30 En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
30 O Senhor fará ouvir a sua voz majestosa e fará ver o golpe do seu braço, que desce com indignação de ira, no meio de chamas devoradoras, de chuvas torrenciais, de tempestades e de granizo.
31 Want door de stem des HEEREN zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.
31 Porque a Assíria ficará apavorada com a voz do quando ele a ferir com o seu bastão.
32 En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn (op welken de HEERE dien zal hebben doen rusten), daar zal men met trommelen en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal Hij tegen hen strijden.
32 Cada pancada castigadora que o será ao som de tamborins e harpas; ele combaterá desferindo golpes contra eles.
33 Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor den koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom.
33 Porque há muito está preparada a fogueira; sim, preparada para o rei. Ela é profunda e larga, com fogo e lenha em abundância; o sopro do como torrente de enxofre, a acenderá.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Isaías 30, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.